25/1: Young Beyond (25-40-jarigen)

Op woensdag 25 januari vindt de eerste Young Beyond bijeenkomst van 2012 plaats. In de bijeenkomsten voor 25 tot 40-jarigen staat het delen van levenservaringen en geloofsbeleving centraal. Soms gebeurt dat aan de hand van een Bijbeltekst of een boek (in het verleden werkten we bijvoorbeeld een tijdje aan de hand van Tim Keller’s ‘In alle redelijkheid‘), andere keren aan de hand van een bepaald initiatief of project. De bijeenkomst van 25 januari is de tweede van een tweeluik rond zogeheten ‘tuimelteksten‘. Dat zijn een soort Loesjeteksten, maar dan volledig op de betekenis van het leven gericht.

We gebruiken de teksten om met elkaar van gedachten te wisselen over onze kijk op onze levens en de plek die Jezus, geloof en kerk daarbij innemen. De gesprekken bij Young Beyond zijn vaak openhartig en persoonlijk.

De inloop is om 20:00 uur. Uiterlijk 20:30 beginnen we met het programma. Voor een borrel en een hapje wordt gezorgd.

 

30 juni: Young Beyond bijeenkomst

Op donderdag 30 juni om 19.00 uur in het jeugdlokaal, pal naast de kerk, komt de kring Young Beyond weer bij elkaar. Na lange tijd – want we zijn nou eenmaal drukke dertigers – hebben we een ontmoeting. Ditmaal met een eenvoudige maaltijd (brood en soep), (geloofs)gesprek en een inleiding van ds. Sietse van Kammen over dertigers en veertigers en geloof en kerk. Na afloop is er tijd voor ‘de netwerkborrel’.

Kenmerken van een bezoeker/gast aan de kring:

  • Je houdt van uitdagende, pittige discussies, in combinatie met gezelligheid.
  • Je bent tussen de 25 en 40 jaar.
  • Druk met gezin, carrière, hobby.
  • Je zoekt naar zingeving, God, Jezus en hoe dit in je drukke tijdschema in te passen.

Be there! Graag horen we via onze predikant of je aanwezig bent (i.v.m. de catering): vankammen[at]luthersekerkhaarlem.nl

Er is één God… voor allen

Twitterverzoekje van Paul Abspoel (Ark Media) voor een aantal blogrecensies over ‘Er is één God… Getuigen van Christus in een multiculturele samenleving’ van de Duitse evangelist Ulrich Parzany. Zo werken uitgevers tegenwoordig, en zo kom je nog wel eens interessant leesvoer op het spoor. In dit geval ruim 200 pagina’s tekst, maar in één avond uit te lezen. Andere recensies staan of verschijnen [hier], [hier], [hier] en [hier].

Eén God voor iedereen

In het Duits heeft het boek de titel ‘Ein Gott für alle’ en dat maakt eigenlijk beter duidelijk wat Parzany beoogt dan de Nederlandse titel. De belangrijkste vraag die hij stelt is hoe je als christen mensen die een ander geloof aanhangen op een respectvolle en tegelijk vrijmoedige manier kunt benaderen. Hij richt zich daarbij hoofdzakelijk op moslims, en in mindere mate op hindoes en boeddhisten. Telkens is de ondertoon van zijn betoog de uitnodiging die God in Jezus doet aan alle mensen. Dat moet christenen bewegen om mensen met een ander geloof open en vriendelijk tegemoet te treden, en niet om angst te laten regeren. Maar het vraagt ook om het lef om Jezus als heer en verlosser te belijden.

Geloofsvragen

Voor dat laatste voelt Parzany zich genoodzaakt eerst wat kritische noten te kraken over de moderne, schriftkritische en postmoderne tijdgeest. Daarbij noemt hij met name de gedachte dat in alle geloofsovertuigingen wel iets van de waarheid schuilt, maar dat de waarheid zelf niet te kennen is. Dat idee ligt weer onder de overtuiging die tegenwoordig ook bij veel christenen leeft, dat Jezus niet de exclusieve toegangsbron tot God kán zijn.

Parzany kan daarmee worden geschaard in de lange, en gestaag groeiende, lijst van orthodox-protestantse auteurs die het christelijk geloof willen verdedigen. Net als bijvoorbeeld Tim Keller en Dinesh D’Souza (zie de recensies [hier] en [hier] van Young Beyond, onze jong volwassenen groep) wil hij laten zien dat het geloof in Jezus als van God gezonden verlosser van de mensheid best goed verdedigbaar is. Meer dan Keller en D’Souza kiest hij voor een benadering die op bijbelteksten is gebaseerd. Dat is zowel een sterkte als een zwakte.

Sterk, omdat hij de aandacht richt op wat de waarheids- en exclusiviteitsclaims van Jezus die in de Bijbel zijn terug te vinden. Zwak, omdat hij daarmee naar mijn idee te gemakkelijk over een aantal vragen en maatschappelijke ontwikkelingen heen stapt. Aan het postmodernisme gunt hij welgeteld vier alinea’s die hij start met de opmerking “Met zegt dat de postmoderne tijd voorbij is” (p. 21) en die resulteren in de opmerking dat als postmodernen beweren dat er geen voor iedereen bindende waarheid bestaat, zij met die bewering zelf in de knel komen.

Een ander lastig punt is dat Parzany er vanuit lijkt te gaan dat het afzwakken van waarheids- en exclusiviteitsclaims in de huidige westerse samenlevingen vooral een knieval is om in redelijke harmonie met andersdenkenden te kunnen samenleven. Klopt misschien maar gaat volledig voorbij aan de werkelijke verwarring die mensen kunnen ervaren in een wereld die op levensbeschouwelijk gebied een enorm divers aanbod heeft. Hij merkt (p. 35) wel op dat kiezen moeilijk wordt, maar besteedt geen aandacht aan de existentiële twijfel die zo’n grote diversiteit bij mensen kan oproepen.

Jezus: uniek en toch voor iedereen

Waar Parzany zich van een sterkere kant toont, is in het weerleggen van de gedachte dat de uniciteit van Jezus alleen maar tot intolerantie tussen mensen kan leiden. Hij erkent dat de praktijk vaak genoeg anders uitpakt, schuwt daarbij geen zelfkritiek en laat zich meermaals negatief en verontschuldigend uit over de intolerantie en vervolging die door toedoen van christenen door de eeuwen heen wél is ontstaan. Dat is niet goed te praten, maar valt ook niet te rijmen met de uniciteit van Jezus als van God gezonden messias voor alle mensen – niemand uitgezonderd. Wie de uitspraken van Jezus in de Bijbel goed bestudeert, vindt, zo stelt Parzany, juist een hele diepe vorm van tolerantie ten aanzien van anderen (p. 88-89):

“Jezus neemt op de koop toe dat Hij niet begrepen, bespot, gefolterd en gedood wordt. Hij is in de diepste zin van het woord tolerant. Het Latijnse woord ‘tolerare’ betekent verdragen, verduren. De tolerantie van Jezus komt voort uit zijn liefde voor de mensen. Tolerantie zoals wij die sinds de Verlichting in Europa kennen, heeft een andere basis. […] Omdat de waarheid uiteindelijk niet te kennen is, loont het niet daarover met elkaar te strijden. Tolerantie veronderstelt dan het afzien van de laatste waarheid. Een dergelijke tolerantie is Jezus volkomen vreemd.”

Het geloofsgesprek

Gewapend met een reeks argumenten om de uniciteit van Jezus te verdedigen arriveert Parzany, die een wat merkwaardig gevoel voor structuur heeft, na 127 pagina’s bij hoofdstuk 2. (Het hele boek telt maar vier hoofdstukken, in afnemende lengte.) Daarin gaat hij in op de islam en in het bijzonder op de koranversen die over Jezus gaan. Daarbij blijft hij bij de kern en tegelijk het grootste twistpunt in de geloofsgesprekken tussen christelijk geloof en andere godsdiensten: de persoon van Jezus. Telkens licht hij toe hoe een christen in gesprek met een moslim kan reageren.

Parzany, die in de jaren zestig in de Lutherse kerk in Jeruzalem werkte, neemt daarbij steeds een open houding aan. Hoewel hij de verschillen tussen christelijke en islamitische uitspraken over Jezus de nodige aandacht geeft (zoals de ontkenning dat Jezus aan het kruis stierf, de positionering van Jezus enkel als profeet) wijst hij voortdurend ook op de overeenkomsten. Die zullen eerder openingen bieden voor een gesprek, dan de verschillen. Maar telkens is Parzany ook standvastig: Bijbel en koran laten niet dezelfde Jezus zien.

Parzany laat zien wat op papier vaak makkelijker is dan in de praktijk: de tolerantie van Jezus uitleven in het gesprek met andere geloven. Dus niet vervallen in afwijzing of veroordeling van de ander, maar ook geen water bij de wijn doen en gaan relativeren. Dan mag de liefde de werkelijke grond zijn voor tolerantie.

O ja, de oosterse religies

Parzany besteedt in het laatste deel van het boek nog aandacht aan verschillende hindoeïstische en boeddhistische stromingen. Toch krijg je daarbij het gevoel dat het een soort aanhangsel is – net als deze alinea. Handig als zeer korte introductie, maar weinig verdiepend ten opzichte van de rest van het boek.

Open einde

Verwacht bij Parzany geen uitgebreid notensysteem met literatuurverwijzingen of diepgravende analyses. Het boek is duidelijk bedoeld voor een lezerspubliek met weinig tot geen achtergrondkennis van de islam en oosterse religies. Parzany veronderstelt wel een beetje kennis van het christelijk geloof. Zijn toon is, voor een spreker met een stijl die sterk doet denken aan Amerikaanse televisie-evangelisten, verrassend rustig. En hoewel hij zich niet schaamt om Jezus als Gods Waarheid en unieke Zoon te verdedigen, laat hij wel ruimte voor het mysterie. Niet alle vragen worden door Parzany beantwoord. Op de vraag waarom God handelt zoals hij handelt wil Parzany geen sluitend antwoord geven. Over deze en andere vragen zegt hij (p. 230): “We zullen het antwoord vinden wanneer we Hem na de opstanding in Gods nieuwe wereld zullen kennen zoals Hij is. God is ons in Jezus echter zo nabij gekomen dat we Hem Vader mogen noemen. Hij heeft ons niet alleen een wet geopenbaard, maar zijn hart getoond.” Dat is wat christenen in geloofsgesprekken in de multiculturele samenleving altijd naar voren mogen brengen.

Ulrich Parzany

Ulrich Parzany is Duits theoloog en voorzitter van de Duitse afdeling van de YMCA. Hij volgde een opleiding tot Luthers predikant en werkte enige tijd in Jeruzalem. Hij werd vooral bekend door ProChrist, grote evangelisatie-acties die nog steeds plaatsvinden, en waarbij hij hoofdspreker is.

Ulrich Parzany (2009) Er is één God… Getuigen van Christus in een multireligieuze samenleving. Amsterdam: Ark Media. 236 pagina’s. ISBN 978 90 33818 96 7

Geloof voor slimmerds

Bij Young Beyond gaat het in 2009-2010 over Tim Kellers ‘In alle redelijkheid’. Maar Keller is niet de enige die zich geroepen voelt om verdedigingen te schrijven voor het christelijk geloof. Vorig jaar verscheen in de Verenigde Staten ‘What’s so great about christianity’ van de Dinesh D’Souza, uitgesproken conservative, voormalig adviseur van Ronald Reagan en lid van de Rooms-Katholieke Kerk. Al vrij snel kwam er een Nederlandse vertaling, die nog al wat aandacht kreeg omdat het boek werd uitgegeven door een ‘seculiere’ uitgeverij: Nieuw Amsterdam.

Slimmerds en gelovigen

Voor wie Keller net heeft gelezen komt D’Souza met zijn betoog keihard binnen. Heel anders dan Keller, in wiens verhaal duidelijk de sporen zichtbaar zijn van preken die hij over de betreffende onderwerpen heeft gehouden, is D’Souza een debater die een felle toon niet schuwt en nu en dan frontaal de aanval inzet. Hij uit zich controversieel – op het irritante af, niet anders dan zijn opponenten.

Net als Keller is D’Souza erop uit het christelijk geloof te verdedigen tegen de stelling dat geloven achterlijk is. En net als Keller voelt hij zich daartoe vooral aangespoord door de scherpe kritiek die vooraanstaande atheïsten (zichzelf ‘brights’, zoiets als slimmerds of verstandigen, noemend) zoals Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens de laatste jaren op het geloof hebben geuit. Maar hij legt de accenten anders. Keller spreekt een gehoor aan dat sceptisch, maar welwillend tegenover het christendom staat en dat worstelt met vragen over de inhoud van het christelijk geloof. Bijvoorbeeld, waarom laat een liefdevolle God het lijden toe? D’Souza beweegt zich meer in het spanningsveld tussen wetenschap en geloof. Zijn inzet is om de atheïstische denkbeelden te weerleggen dat wetenschap en geloof radicaal tegenover elkaar staan. Als politiek debater is hij daarbij soms heel uitgesproken in zijn mening, op andere momenten juist mild en kritisch naar zichzelf toe, maar over het algemeen in elk geval heel direct. Zo laat hij in de introductie al weten dat “…mocht u zich afvragen of dit boek een uitnodiging tot bekering is: dat is het inderdaad”.

De benadering van D’Souza

Daar gebruikt hij 26 hoofdstukken voor, waarmee hij zichzelf toch wat overvraagt. Er zijn te veel vragen en kritiekpunten die hij wil behandelen. Zo wil hij hard maken dat, hoewel atheïsten graag anders doen geloven (sic!), het christendom aan de basis heeft gestaan van veel instituties en waarden die tegenwoordig graag als seculiere verworvenheden worden gezien: de scheiding tussen kerk en staat, het idee van menselijke gelijkwaardigheid, de basis van de moderne wetenschap, en zelfs het begrip ‘seculier’ zelf. Gaat dat volgens D’Souza om het atheïstische ontkennen van een positieve invloed van het christelijk geloof op de wording van onze (westerse) samenlevingen, vervolgens pakt hij ook een aantal beschuldigingen over vermeende negatieve invloeden van het geloof aan. Zoals de veelgehoorde stelling dat geloof of religie de grootste bron is van oorlog en gewelddadig conflict. Juist het atheïstisch gedachtegoed heeft volgens de cijfers van D’Souza het grootste aantal slachtoffers gemaakt – zowel in oorlogs- als in vredestijd. In het laatste deel van het boek volgt dan nog een beschouwing van moraliteit. In het allerlaatste stukje pakt D’Souza nog iets mee van de inhoud van het christelijk geloof.

Debat tussen Dinesh D’Souza en Christopher Hitchens and Dinesh D’Souza (Katholieke Univeristeit Boulder).

Al met al: veel, veel, veel. Ondanks de enorme kennis die D’Souza aan de dag legt van klassieke en hedendaagse natuurwetenschappers, filosofen, historici, theologen, sociologen en psychologen, gaat zijn betoog soms zo snel dat je als lezer toch het gevoel krijgt dat er af en toe iets mist. Dat is voer voor de tegenspelers. Veelvuldig schrijft D’Souza in de trant van “nu we bewezen hebben dat…” of “nu we gezien hebben dat…”. Overigens gaat het daarbij bijna nooit – en D’Souza stelt dat herhaaldelijk – om bewijzen dat het christelijk geloof gelijk heeft, maar om argumenten waarom het niet zo gek is om in God te geloven. Dawkins diagnose dat geloof een psychische aandoening is rammelt aan alle kanten, dat probeert D’Souza duidelijk te maken.

De hamvraag

Zijn strategie is hoofdzakelijk om lezers duidelijk te maken dat ook seculier of atheïstisch denken gestoeld is op vooronderstellingen die voor een deel nooit bewezen kunnen worden met de middelen waar de wetenschap zich van kan bedienen. Dat is dezelfde route als die Keller volgt, en die hout snijdt – ook al zullen overtuigde atheïsten daar anders over blijven denken. Regelmatig zoekt D’Souza daarbij de afschuw van geloof op die bij veel van zijn opponenten bestaat. Daarmee raakt hij steeds aan een vraag die iedereen alleen voor zichzelf kan beantwoorden: kan ik überhaupt open staan voor de gedachte dat er een aboslute (persoonlijke) autoriteit over mij zou bestaan. Dat raakt aan de kern, en dat is ook het goede moment om bij Keller verder te lezen, want dan wordt de vraag relevant of het redelijk is te veronderstellen dat zo’n autoriteit te vertrouwen is.

Dinesh D’Souza (2009) Het christendom is zo gek nog niet. Nieuw Amsterdam Uitgevers.

Deze website gebruikt cookies Info »

Europese wetgeving verlangt dat de volgende informatie aan u kenbaar wordt gemaakt:

Deze website maakt standaard gebruik van cookies om zo optimaal mogelijk te functioneren. Door op 'Accepteer' te klikken of deze site verder te bekijken stemt u daarmee in. Stemt u niet in, verander dan de cookie-instellingen van uw browser.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Sluit (close)