Doorgegeven (4): Ontboezeming

« Terug naar Doorgegeven (3): Lofrede

In januari stond bij de leeskring Doorgegeven het hoofdstuk ‘Voorlopige ontboezeming’ uit Kierkegaards ‘Vrees en Beven’ op het programma. Het is de bedoeling van Kierkegaard om het dialectische dat in het verhaal van Abraham schuilgaat (en dat licht werpt op wat geloof en geloven is) naar voren te halen aan de hand van drie problemata.

‘Problemata’ kun je vertalen met ‘problemen’; in filosofische zin zijn het pogingen om het problematische juist verwoord te krijgen. Maar, voordat het zo ver is, wil Kierkegaard eerst, in een soort tussenhoofdstuk, een voorlopige ontboezeming aan ons kwijt.

Hij ‘bekent’ dat hij Abraham slechts kan bewonderen. Maar volgen (zowel naar de Moria al in zijn ‘beweging van het geloof’) kan hij niet. ‘Ik kan de beweging van het geloof niet maken, ik kan mijn ogen niet sluiten en mij vol vertrouwen in het absurde storten. Het is mij onmogelijk, maar trots ben ik daar niet op.’ (Trots, alsof hij het geloof overwonnen zou hebben.) Wel stelt Kierkegaard ervan overtuigd te zijn dat God liefde is. Deze gedachte heeft voor hem een oorspronkelijk en een door niets op te heffen geldigheid. ‘Maar ik geloof niet. Daarvoor ontbreekt me de moed.’

Kierkegaard stelt dat Gods liefde incommensurabel (onvergelijkbaar, onderling onmeetbaar) is met heel de werkelijkheid. Verder doet hij uit de doeken dat het hem niet aan het vermogen ontbreekt om te resigneren (afstand te doen). Zo zou hij, in Abrahams schoenen staand, Gods oproep hebben beantwoord om ook af te reizen naar de berg Moria. ‘Ook het mes had ik niet vergeten, om daarmee enig uitstel te winnen. Maar tegelijk weet ik wat ik verder nog gedaan zou hebben. Op hetzelfde moment dat ik mijn paard besteeg, zou ik tegen mezelf hebben gezegd: ‘Nu is alles verloren, God eist Isaak op, ik zal hem offeren, en met hem al mijn vreugde.”

Hierin laat hij zien dat resigneren (afstand doen van wat onmiddellijk comfortabel is, maar wat je weghoudt bij je bestemming) en geloven niet hetzelfde zijn. Het eerste kan Kierkegaard omdat hij zichzelf serieus neemt en zich weigert te narcotiseren met lafheid en het zoeken van uitvluchten. Het tweede niet. Geloven is vasthouden aan de uitkomst zonder deze voor ogen te zien.

Er is om te resigneren geen geloof nodig, zegt Kierkegaard. Dit in weerwil van wat men vaak denkt (ascese, onthouding). De resignatie houdt hiermee verband dat ieder mens ertoe geroepen is zijn eigen censor (beoordelaar) ter zijn. “Deze beweging [de beweging van de resignatie] maak ik door mezelf en wat ik daarmee win is mijn zelf in mijn eeuwige bewustzijn. Door het geloof doe ik nergens afstand van. Integendeel, door het geloof verwerf ik alles, en wel precies in die zin als gezegd wordt dat wie geloof heeft zo klein als een mosterdzaadje, bergen verzetten kan (Matteüs 17).” Verderop verwoordt Kierkegaard: “Door het geloof deed Abraham geen afstand van Isaak, maar door het geloof verkreeg hij Isaak.”

Het geloof brengt hem de toekomst. Een toekomst die hij niet ziet, maar die God hem belooft (zonder deze in het vooruitzicht te stellen!). “Door het geloof”, vat Kierkegaard samen, “verkrijgen wij, krachtens het absurde.”

De kritiek op het bestaan verplicht ons paal en perk te stellen (te resigneren). Maar met en voor God bestaan doen wij daarmee nog niet. Kierkegaard: “Laten we dan een streep halen door Abraham, of leren verschrikt te raken door die ontstellende paradox die de betekenis van zijn leven uitmaakt, zodat we zullen begrijpen dat onze tijd, blij mag zijn als hij geloof heeft.” Het geloof, besluit Kierkegaard, is een paradox waarvan geen denken zich meester maakt, omdat het geloof juist daar begint waar het denken ophoudt.

Doorgegeven (3): Lofrede

In december stond bij de kring ‘Doorgegeven’ het hoofdstuk ‘Lofrede op Abraham’ van Kierkegaards ‘Vrees en beven’ op het programma. Dit hoofdstuk start Kierkegaard met een wat abstracte en filosofische verhandeling over ‘de held’ en ‘de dichter’. Zij vallen voor Kierkegaard niet samen, maar hebben elkaar wel nodig. Zonder de dichter raakt de held in de vergetelheid. De dichter is de ‘genius van de herinnering’, degene die de ode aan de held schrijft, die zorgt dat ‘de held’ bij mensen in herinnering blijft. Wanneer de dichter zich, door de tijd, de held niet laat ontfutselen dan heeft hij zijn taak vervuld en wordt hij met de held verenigd. (Denk aan ‘de held’ Oddyseus en ‘de dichter’ Homerus.)

De held

‘De held onderscheidt zich, verdient het om niet vergeten te worden. Groot werd de held door zijn surplus, groot werd de held door zijn overgave.’ Maar, stelt Kierkegaard, ‘wie God liefhad werd groter dan allen’. De held onderscheidt zich in het waarmaken van de verwachting waaruit hij leeft. ‘Groot werd de een door de verwachting van het mogelijke, een ander door de verwachting van het eeuwige. Maar,’ brengt Kierkegaard in, ‘wie het onmogelijke verwachtte werd groter dan allen.’ En: ‘Groot werd hij die met de wereld streed en die overwon, groot werd hij die met zichzelf streed en zichzelf overwon. Maar wie met God strijd is groter dan allen.’ Dat is de wat cryptische conclusie van Kierkegaard, als inleiding om duidelijk te kunnen maken hoe hoog hij de bijbelse Abraham schat.

‘Er was er een’, vervolgt hij, ‘die op zichzelf steunde en overwon; er was iemand die vertrouwend op eigen sterkte alles opofferde, maar wie God vertrouwde was groter dan allen.’ Kierkegaard besluit dit fragment met: ‘Abraham was groter dan allen: groot door de kracht waarvan de sterkte onmacht is, groot door de wijsheid waarvan het geheim dwaasheid is, groot door de hoop waarvan de vorm waanzin is, groot door de liefde, die haat is tegen zichzelf.’

Over ‘zelfhaat’ ontwikkelde zich een flinke discussie in onze kring. Kan God ‘zelfhaat’ verlangen? Tussentijdse conclusie: alleen als het getuigt van de liefde die ‘groot’ maakt, kan het iets betekenen dat niet slecht is.

De uitverkorene

Kierkegaard vervolgt met een soort resumé: ‘Door het geloof trok Abraham weg uit het land van zijn vaderen en werd een vreemdeling in het land van de belofte. Een ding liet hij achter, een ding nam hij mee: zijn aardse verstand liet hij achter en het geloof nam hij mee. Anders zou hij ook niet zijn weggetrokken, maar zou hij gedacht hebben: dit is onzinnig.’

Ondanks alles is Abraham niet een verworpene, maar de uitverkorene. Uitverkoren, gekozen, om het leven te dragen. Abraham kan dit, ver weg van alles wat vertrouwd en eigen is, door te geloven en vast te houden aan de belofte. ‘Hij die altijd het beste hoopt, wordt oud door het leven bedrogen. En hij die altijd op het slechtste is voorbereid, wordt vroeg oud. Maar hij die gelooft bewaart een eeuwige jeugd. Geprezen zij daarom dit verhaal!’

Het is niet zozeer een wonder dat hun verwachting werd vervuld, maar een wonder van geloof, dat Abraham en Sara beide (in geest) jong genoeg waren om het ouderschap nog te wensen en dat het geloof hun wens had bewaard. Het geloof dat hem, Abraham, gebracht heeft waar hij is (in een vreemd land, maar gezegend onder Gods hemel) wordt bekrachtigd in een zoon: Izaäk. Hij is niet alleen de zoon waar zij op wachtten, het is ook de zoon van de belofte van God. Zeg maar: de zoon waaruit al het leven voort zal komen. Hij is hun toekomst.

De beproeving

De beproeving die volgt, de opdracht die Abraham ontvangt om Izaäk te offeren, beschrijft Kierkegaard als het drama dat God van ons (mensen met een ‘gezond verstand’) van God vervreemdt. Maar Abraham geloofde en blijft erop vertrouwen dat God het is die hem beproeft. Niet met het zicht op een onverwachte wending die alles alsnog ten goede zal keren, maar omdat dit de God is die hem geroepen heeft.

Kierkegaard schetst dat Abraham naar onze perceptie, heel goed en begrijpelijk, anders had kunnen handelen. Hij had het zwaard in zijn eigen borst kunnen boren. Hij had op de berg Moria, door twijfel bevangen, God kunnen uitdagen met zijn gebeden. Hij had zijn knecht Eliëzer opdracht kunnen geven om met hen rechtsomkeer te maken. ‘Maar hij vervolgde de weg, besteeg de berg, wette het mes en hief zijn arm…’

Het geloof

Het hoofdstuk eindigt met de lofrede die Abraham niet nodig heeft om getroost te worden voor zijn verlies. ‘Jij hebt immers alles gewonnen en Izaäk behouden.’ Kierkegaard meent dat Abraham geen late vereerder – zeg maar, geen late ‘dichter’ zoals Kierkegaard – nodig heeft om aan de vergetelheid onttrokken te blijven. Abraham is dus meer dan een klassieke held die altijd een dichter nodig heeft. (Kierkegaard blijft dus een dichter zonder held.) ‘Want iedere taal gedenkt jou – en toch beloon je ieder die je liefheeft heerlijker dan wie ook. Jij maakt hem daarboven [de mens die jou bij leven liefhad] gelukkig in je schoot, hier boei je [de mens die je bij leven lief heeft] zijn oog en zijn hart met het wonderbaarlijke van wat je deed.’

Kierkegaard roemt Abraham om de hartstocht, ‘die de strijd met het razen van de elementen versmaadt [en daardoor geen held wordt] om met God in strijd te gaan [en daarmee wordt tot een gelovige].’ Kierkegaard eindigt met ‘nooit zal door hem [Kierkegaard zelf, als dichter zonder held, maar met een gelovige op het netvlies] vergeten worden dat jij [Abraham] honderd jaar nodig hebt gehad om tegen de verwachting in een zoon van je ouderdom te verkrijgen, dat jij eerst het mes moest trekken voordat je Izaäk mocht behouden. Hij zal nooit vergeten dat jij in honderddertig jaar niet verder kwam dan bij het geloof.’ Het laatste woord van dit inleidende hoofdstuk is datgene waar alles in het boek om draait; het enige thema.

Doorgegeven (2): Zegen en vloek

Kierkegaard voor liefhebbers

Om iets te kunnen doorgeven en weergeven van Kierkegaards’ bedoelingen leek het ons van belang om aan het begin van de kennismaking met zijn werk, iets van zijn “Sitz im Leben”, iets van zijn plek in het leven ter sprake te brengen.

Wat Kierkegaard, op zijn beurt, heeft willen doorgeven houdt namelijk sterk verband met zijn jeugd en de man die hij daar uit werd. Kierkegaard ervoer het als zijn persoonlijke opdracht om het individu, de mens in zijn meest complete uniciteit te begrijpen en begrepen te krijgen. Daarvoor had hij de God van de Bijbel en het Christelijk geloof nodig, maar had hij ook baat bij een ongewone jeugd.

Nou ja…”baat”.

Het is maar wat je baat noemt.

Hoewel meerdere mensen uit de kring van familie en vrienden zich later de jonge Sören herinnerden als bijzonder verwend, zei hij zelf, dertig jaar later, terug te kijken op een vooral ongelukkige jeugd. De vermogende familie waaruit Kierkegaard kwam en waarin Sören de nakomer was in het gezin van zeven kinderen, werd getroffen door een onwezenlijke serie van verliezen.

Toen Sören zes was overleed zijn elf jaar oud broer Michaël na een botsing op het schoolplein, drie jaar later overleed zijn oudste zus, onverwacht, na een kort ziekbed. Wat alles in tijden van rouw en verwerking nog moeilijker maakte was dat Sören’s vader, Michaël sr., een even vermogende als begaafde heer, die zich met behoud van fortuin uit zaken had teruggetrokken om zich geheel aan de opvoeding van zijn zonen te wijden, het verdriet onderging als een persoonlijke straf voor een misstap die hij in zijn eigen jeugd in Jutland had begaan.

Ons komt dit alles, als eigentijdse en weinig belaste bijbellezers en kerkbezoekers, vreemd voor. “Is het dan onmogelijk om ergens de draad weer op te pakken?”

Wat we daarbij uit het oog verliezen is dat het Lutherse piëtisme waarin Michaël sr., op het platteland van Denemarken opgroeide, sterk puriteinse trekjes kende. Na grove fouten is in deze zienswijze verzoening mogelijk, maar dan wel pas na zware boetedoening.

Aanvankelijk veronderstelde Sörens vader dat Gods toorn hem zou treffen in zijn vermogen. Maar nadat de crisis van 1813 ( ook toen al!) het economisch verkeer in Europa had lamgelegd, bleek de vraag naar wol enorm te blijven. Juist in deze branche had vader Kierkegaard fortuin gemaakt. Niet de aantasting van zijn financiële onafhankelijkheid, maar die van de gezondheid van zijn kinderen werd de rampspoed die hij vreesde. “Erger had het niet gekund” tekende Kierkegaard op jeugdige leeftijd al op.

Senior leefde onder het zwaard van de gedachte dat hij al zijn kinderen zou overleven. Uiteindelijk zouden bij vaders dood, in 1838, slechts Sören en zijn oudste broer Peter nog in leven zijn. Sören is door zijn vader gekneed en opgebouwd, maar ook verwoest, stelt hij in zijn eerste boek, dat in datzelfde jaar 1838 de veelbetekenende naam “Uit de papieren van iemand die nog leeft” meekrijgt. Zijn veeleisende vader heeft zich in de zeer begaafde jongen vastgebeten en ondanks zijn permanente zwaarmoedigheid een enorme belezenheid, veelzijdigheid en intense interesse in mensen en hun beweegredenen bijgebracht. Maar hij heeft hem ook belast, misschien zelfs wel “geofferd” door hem als minderjarige van zijn kwellingen op de hoogte te brengen en hem van een onontkoombare opdracht te voorzien ( namelijk zijn leven te wijden aan het schrijven van een groot godsdienstig werk als teken van verzoening.)

Zegen en vloek lopen op de een of andere manier op een moeilijk te ontwarren manier door elkaar.

De fascinatie voor het verschijnsel van de roeping die ons enerzijds aan een opdracht bindt en anderzijds nodig is verstaan te worden omdat zij de opdracht draagt, ons te laten zien en horen wat vrijheid is, vindt bij Kierkegaard in de gecompliceerde verhouding tot zijn vader zijn oorsprong. Het heeft ertoe bijgedragen dat kort na de afronding van zijn dissertatie over “Het begrip ironie, in voortdurende betrekking op Socrates” in 1841, er een grote lawine aan publicaties van zijn hand op gang komt, met het boek “Vrees en beven” (1843) als hoogtepunt.

Deze studie van Genesis 22, waarin Abraham de onbegrijpelijke opdracht krijgt, zijn eigen toekomst een halt toe te roepen en zijn zoon Isaäk te offeren heeft voor Kierkegaard de lading van herkenning. “Hoe is het mogelijk dat Abraham niet ophoudt zich gezegend te voelen?” Wij gaan dit boek en de bijbeltekst waar zij op gebaseerd is in de komende maanden stukje voor beetje verkennen.

Doorgegeven (1): Nieuw

“De ware geloofsridder is een getuige, hij is nooit leraar.” (Kierkegaard in ‘Vrees en beven’)

‘Doorgegeven’ is de naam van een nieuwe kring die op een rustige en ontspannen wijze teksten van christelijke denkers wil lezen en hier lering uit hoopt te trekken. Voor de eerste seizoenshelft van 2009 staat een mooie, nieuwe vertaling van Kierkegaards beroemd geworden boek ‘Vrees en beven’ ons ter beschikking. De kring heeft een laagdrempelige insteek, wil niet te studieus zijn en is niet bedoeld voor gevorderde filosofen. Laat u dus niet intimideren door grote namen. Kierkegaard lezen moet vooral als leuk en als meeslepende ervaring ontdekt worden. Bijeenkomsten vinden plaats in het Jeugdlokaal, op elke derde dinsdag van de maand.

  • Waar? In het Jeugdlokaal, naast de Lutherse Kerk in Haarlem
  • Wanneer? Iedere derde dinsdag van de maand, van 10:00 – 11:30 uur
  • Voor wie? Alle leden

Vast inlezen over Kierkegaard en ‘Vrees en beven’?

Deze website gebruikt cookies Info »

Europese wetgeving verlangt dat de volgende informatie aan u kenbaar wordt gemaakt:

Deze website maakt standaard gebruik van cookies om zo optimaal mogelijk te functioneren. Door op 'Accepteer' te klikken of deze site verder te bekijken stemt u daarmee in. Stemt u niet in, verander dan de cookie-instellingen van uw browser.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Sluit (close)