Kijken naar de Heer. Met Jos Douma

Boekrecensie. Aan een (Twitter)verzoek voor een recensie van een bevriende stadsgenoot geven we natuurlijk graag gehoor. Nog geen kilometer is de hemelsbrede afstand tussen de Haarlemse Lutherse Kerk en de Fonteinkerk (Gereformeerde Kerk vrijgemaakt) waar Jos Douma predikant is. De theologische afstand tussen beide kerkelijke tradities is vanouds veel groter. Maar Jos Douma weet hoe hij moet schrijven om alle afstanden te overbruggen. Of beter gezegd, over wie. Jezus.

In Kijken naar de Heer. Veranderen door zijn schoonheid maakt Jos Douma de lezer deelgenoot van zijn favoriete Bijbeltekst. Ik heb er zelf altijd wat moeite mee om over een favoriete tekst te spreken. Ook teksten die niet fijn aanvoelen of ronduit afstoten zijn waardevol, moet ik mezelf altijd in herinnering roepen. Maar wie de laatste bladzijden van het boek bereikt, merkt dat er eigenlijk veel meer aan de hand is. Jos Douma wil niet slechts zijn enthousiasme delen over een bepaalde Bijbelpassage. Hij heeft een missie: “Ik geloof dat het mijn roeping is om de boodschap van deze Bijbeltekst uit te dragen onder christenen en in kerken” (p. 84). Dat uitdragen doet hij op rechtstreekse en persoonlijke toon. De lezer wordt voortdurend aangesproken – naar mijn smaak bij vlagen net iets te veel. Tegelijkertijd deelt de auteur regelmatig zijn eigen ideeën, inzichten en (diepste) gevoelens, waardoor het boek heel eerlijk overkomt.

2 Korintiërs 3: 18

De tekst waar Jos Douma zo vol van is komt uit de tweede brief van Paulus aan de christelijke gemeente in Korinthe:

Wij allen die met onbedekt gezicht
de luister van de Heer aanschouwen,
zullen meer en meer door de Geest van de Heer
naar de luister van dat beeld worden veranderd.
(2 Kor. 3: 18, Nieuwe Bijbelvertaling)

Het is een tekst over innerlijke verandering, “het veranderingsproces waar het God ten diepste om gaat: dat mensen veranderen, dat zijn kinderen zijn beeld weer gaan vertonen doordat ze gaan lijken op Jezus” (p.9). Verandering is een actueel thema in de kerk van vandaag. Zeker in Nederland. In tal van plaatselijke kerken wordt gezocht naar verandering om aansluiting te vinden bij de snel veranderende maatschappij. Enorm veel energie wordt gestoken in verander- en vernieuwingstrajecten om de kerk eigentijdser te maken. Maar uiteindelijk is dat niet de verandering die waar het in de Bijbel om gaat, merkt Jos Douma terecht op. 3 Vers 18 is het sleutelvers dat vertelt waar het wèl om gaat: de geestelijke groei van mensen naar het beeld van Jezus Christus.

De belangrijkste verandering

In drie stevige hoofdstukken keert Jos Douma de Korinthetekst helemaal binnenste buiten. Het is een snel boek, en niet erg dik. Maar meer dan eens zet de auteur de lezer helemaal stil. Dat zijn kostbare ‘momenten’ in het boek, want waar Jos Douma over schrijft moet de tijd krijgen om te landen. Persoonlijke verandering is niet iets dat als vanzelf volgt uit het lezen van een tekst. En al helemaal niet als het over een lastig onderwerp gaat als het “aanschouwen van de luister van de Heer”.

Ik geef Jos Douma zonder meer gelijk als hij schrijft dat het in de kerk vaker gaat over waarheid en onwaarheid, (over echt gebeurd of niet echt gebeurd), of over goed en fout, “dan over de schoonheid van God en zijn zoon Jezus Christus” (p. 21). Bij de schoonheid van de schepping kunnen we ons nog wel wat voorstellen. Meestal met in de kantlijn direct een aantekening over de rotzooi die mensen er van maken. Maar dat het over Gods schoonheid zou kunnen gaan, is zelfs voor christenen een onwennige gedachte. Dan helpt het om te beseffen dat schoonheid en genieten nauw aan elkaar verwant zijn. Wat Jos Douma in 2 Korintiërs 3:18 ontdekt is dat de God van de Bijbel graag wil dat we van Hem leren genieten. Het gaat er niet om dat we ons uiterste best doen. Het gaat er niet om dat we God blind en gevoelloos gehoorzamen. “Het gaat om genieten! Genieten van God, en daardoor veranderen wij en wordt ons leven een leven dat steeds meer past bij onze Heer” (p. 24-25).

Kijken naar de Heer is een hulp bij het leren genieten van God. Bij het leren genieten van Jezus. En dat is in de kerken, van welke richting dan ook, geen overbodige luxe. Dat Jos Douma’s missie met 3 vers 18 de roeping van velen mag zijn, want genieten, daar mag in de kerk nooit te weinig ruimte voor zijn.

Jos Douma (2011) Kijken naar de Heer. Veranderen door zijn schoonheid. Utrecht, Uitgeverij Kok. ISBN 978 90 435 0209 2. Kijk ook op www.josdouma.nl/3vers18

30 juni: Young Beyond bijeenkomst

Op donderdag 30 juni om 19.00 uur in het jeugdlokaal, pal naast de kerk, komt de kring Young Beyond weer bij elkaar. Na lange tijd – want we zijn nou eenmaal drukke dertigers – hebben we een ontmoeting. Ditmaal met een eenvoudige maaltijd (brood en soep), (geloofs)gesprek en een inleiding van ds. Sietse van Kammen over dertigers en veertigers en geloof en kerk. Na afloop is er tijd voor ‘de netwerkborrel’.

Kenmerken van een bezoeker/gast aan de kring:

  • Je houdt van uitdagende, pittige discussies, in combinatie met gezelligheid.
  • Je bent tussen de 25 en 40 jaar.
  • Druk met gezin, carrière, hobby.
  • Je zoekt naar zingeving, God, Jezus en hoe dit in je drukke tijdschema in te passen.

Be there! Graag horen we via onze predikant of je aanwezig bent (i.v.m. de catering): vankammen[at]luthersekerkhaarlem.nl

Charismatische kruistheologie

Thanks very much to Mockingbird for granting us permission to publish a Dutch translation of the original post by Todd. The original post can be found here.

Charismatische kruistheologie: Christoph Blumhardt

Het volgende is gebaseerd op het essay ‘Reformation pessimism or pietist personalism? The problem of the Holy Spirit in evangelical theology’ van Mockingbird blogger en conferentiespreker dr. Simeon Zahl, dat (zeer recent) is gepubliceerd in de bundel ‘New perspectives for evangelical theology‘.

Bij christenen, die het lukt om door de mist heen te kijken van het menselijk bestaan en zijn diepgewortelde verstrikkingen in zonde, bestaat er vaak een grote onzekerheid als het gaat om de Heilige Geest. De moderne theologie van de pinksterbeweging houdt het er op dat mensen de bewegingen van de Geest eenvoudig kunnen ontdekken in het dagelijks leven. Er wordt ons verteld dat de Geest aan het werk is als we de juiste dingen doen. Er wordt ons verteld dat de Geest ons, door bovennatuurlijke tekens, kan helpen bij het maken van keuzes in ons leven. Er wordt ons ook (vaak) verteld dat onze diepste verlangens zullen worden vervuld als we het God maar op de correcte manier vragen. En toch lijken zulke beloften, als ik naar mijn leven kijk en naar de wereld, veel te vaak leeg of lastig. Ik weet dat ik te gemakkelijk mijzelf kan misleiden. Ik weet hoe eenvoudig ik God haast kan verplichten om te zegenen wat ik, zondig, wil. Wat kan overkomen als Gods hand aan het werk is vaak mijn eigen onderbewuste doen en laten.

Helpt Luther om dit probleem op te lossen? Ja en nee. Het is Luthers overtuiging van de zondige ‘natuur’ van de mens die de nagemaakte vroomheid van spiritueel ‘enthousiasme’ doorziet. Luther stelt dat we Gods werk niet goed kunnen onderscheiden.

Voor Luther wordt God alleen maar gekend door de proclamatie van het Woord. Zoals Zahl zegt:

“Voor Luther (in zijn verhandeling Tegen de hemelse profeten en in de Smalkaldische Artikelen) is iedere aanspraak op ervaring van de Geest los van de directe instrumentaliteit van het ‘externe Woord’ (verbum externum) per definitie vals. Deze kijk op het Woord is aanzienlijk hoog. De activiteit van de Geest in de wereld is dusdanig volledig en direct aan de Bijbeltekst verbonden, dat het aan het magische rust. Luther zegt dat in de na-apostolische kerk de Geest nooit op een beslissende manier in het leven van iemand zal handelen, anders dan tijdens een preek of bij het ontvangen van de sacramenten. ‘Damascuservaringen’, bijvoorbeeld, komen niet meer voor – God heeft in plaats daarvan ervoor gekozen om alleen door de Bijbel te spreken.”

Toch komt dit op mij over als een sterk beperkte blik op Gods werk in mijn leven en in de wereld. Openbaring komt niet alleen voor van elf tot twaalf uur op zondagmorgen. Maar hoe kan God worden gekend zonder mijn eigen projecties van of op mijzelf te vinden?

Christoph Friedrich Blumhardt: een oplossing?

Blumhardt was zowel een charismatische gebedsgenezer als een toegewijd lutheraan. Zijn unieke combinatie van de twee theologische denkrichtingen wijzen naar een middenweg tussen charismatische theologie en lutheranisme, die aan de inzichten van beide recht doet zonder ten prooi te vallen aan hun tekortkomingen. Volgens Zahl:

“Het is Blumhardts perceptie dat hoewel God soms een gevoel van ‘vrede met God’ schenkt, en hoewel Hij met zijn mensen op een persoonlijke en leidende manier communiceert, Gods voornaamste manier om dat te doen, is via ‘negatieve’ ervaringen, waarin onze schuld en de werkelijke grenzen van onze veronderstelde autonomie duidelijk worden. Door deze ervaringen van de Geest, ‘sterven’ we keer op keer aan onszelf, op zo’n manier dat de weg wordt gebaand voor transformatie en nieuw leven. Blumhardts motto tijdens een van de belangrijkste fasen van zijn ontwikkeling was ‘sterf, zodat Jezus kan leven!'”

“Zulke ervaringen zijn minder vatbaar voor misleiding of voor je eigen karretje te spannen dan de ‘positieve’ persoonlijke ervaringen, omdat ze eerder regelrecht ingaan tegen onze wil en verlangens dan dat ze erop aansluiten. We zullen ze niet zo snel verzinnen, ze vervalsen in ons onderbewuste om een bepaalde geheime behoefte te bevredigen, omdat de Geest zowel tegen ons onbekende als bekende krachten werkt. Elke masochistische waardering van negativiteit wordt hier uitgesloten, omdat zulk masochisme feitelijk een verbloemde of indirecte ‘positieve’ ervaring zou zijn. (…) Een werkelijk ‘negatieve’ ervaring van de Geest gaat rechtstreeks tegen ons egoïsme in, ongeacht hoe subtiel dat egoïsme zich ook uit. Daarom is het tegenstreven van de wil, inclusief in het bijzonder de onderbewuste wil, een zeer behulpzame manier om te beschrijven wat er gebeurt als de Geest in deze rol actief is. Als een ervaring eenvoudig is in te passen in een comfortabele categorie of een controlepatroon, dan is het totaal niet ‘negatief’.”

“Waar we hier over spreken zou een ‘charismatische kruistheologie’ kunnen worden genoemd. ‘Positieve’ ervaringen van God, in vrede en blijdschap worden niet uitgesloten, maar worden wel behoedzaam bekeken. God is persoonlijk en liefdevol aanwezig in ons leven, maar eerst en vooral in onze duisternis en onze moeilijkheden, vanwege de mate van ons elementaire verzet tegen Hem, en vanwege de zelfgerichtheid die blijft bestaan (in welke mate dan ook) in het leven als christen. Als God ‘stil’ lijkt te zijn geworden in ons gebedsleven, bijvoorbeeld, dan levert het onbehagen en de angst die deze ervaring veroorzaakt een veel zekerder teken van goddelijke aanwezigheid – ‘weeën’ – dan welke directe en opbeurende leiding of geestvervoering dan ook.

De hoop die we hebben met zulke ervaringen, gegrondvest in de hoop die is verbonden aan de opstanding van Christus, is dat het ‘negatieve’ woord niet het laatste Woord is, en dat de God van Jezus Christus hier aan het werk is, door de Geest, voor ons bestwil, zowel in dit leven als in het leven dat komt.”

Simeon Zahls lezing bij de aankomende conferentie is getiteld ‘Experiencing the Spirit in failure and in love’

Er is één God… voor allen

Twitterverzoekje van Paul Abspoel (Ark Media) voor een aantal blogrecensies over ‘Er is één God… Getuigen van Christus in een multiculturele samenleving’ van de Duitse evangelist Ulrich Parzany. Zo werken uitgevers tegenwoordig, en zo kom je nog wel eens interessant leesvoer op het spoor. In dit geval ruim 200 pagina’s tekst, maar in één avond uit te lezen. Andere recensies staan of verschijnen [hier], [hier], [hier] en [hier].

Eén God voor iedereen

In het Duits heeft het boek de titel ‘Ein Gott für alle’ en dat maakt eigenlijk beter duidelijk wat Parzany beoogt dan de Nederlandse titel. De belangrijkste vraag die hij stelt is hoe je als christen mensen die een ander geloof aanhangen op een respectvolle en tegelijk vrijmoedige manier kunt benaderen. Hij richt zich daarbij hoofdzakelijk op moslims, en in mindere mate op hindoes en boeddhisten. Telkens is de ondertoon van zijn betoog de uitnodiging die God in Jezus doet aan alle mensen. Dat moet christenen bewegen om mensen met een ander geloof open en vriendelijk tegemoet te treden, en niet om angst te laten regeren. Maar het vraagt ook om het lef om Jezus als heer en verlosser te belijden.

Geloofsvragen

Voor dat laatste voelt Parzany zich genoodzaakt eerst wat kritische noten te kraken over de moderne, schriftkritische en postmoderne tijdgeest. Daarbij noemt hij met name de gedachte dat in alle geloofsovertuigingen wel iets van de waarheid schuilt, maar dat de waarheid zelf niet te kennen is. Dat idee ligt weer onder de overtuiging die tegenwoordig ook bij veel christenen leeft, dat Jezus niet de exclusieve toegangsbron tot God kán zijn.

Parzany kan daarmee worden geschaard in de lange, en gestaag groeiende, lijst van orthodox-protestantse auteurs die het christelijk geloof willen verdedigen. Net als bijvoorbeeld Tim Keller en Dinesh D’Souza (zie de recensies [hier] en [hier] van Young Beyond, onze jong volwassenen groep) wil hij laten zien dat het geloof in Jezus als van God gezonden verlosser van de mensheid best goed verdedigbaar is. Meer dan Keller en D’Souza kiest hij voor een benadering die op bijbelteksten is gebaseerd. Dat is zowel een sterkte als een zwakte.

Sterk, omdat hij de aandacht richt op wat de waarheids- en exclusiviteitsclaims van Jezus die in de Bijbel zijn terug te vinden. Zwak, omdat hij daarmee naar mijn idee te gemakkelijk over een aantal vragen en maatschappelijke ontwikkelingen heen stapt. Aan het postmodernisme gunt hij welgeteld vier alinea’s die hij start met de opmerking “Met zegt dat de postmoderne tijd voorbij is” (p. 21) en die resulteren in de opmerking dat als postmodernen beweren dat er geen voor iedereen bindende waarheid bestaat, zij met die bewering zelf in de knel komen.

Een ander lastig punt is dat Parzany er vanuit lijkt te gaan dat het afzwakken van waarheids- en exclusiviteitsclaims in de huidige westerse samenlevingen vooral een knieval is om in redelijke harmonie met andersdenkenden te kunnen samenleven. Klopt misschien maar gaat volledig voorbij aan de werkelijke verwarring die mensen kunnen ervaren in een wereld die op levensbeschouwelijk gebied een enorm divers aanbod heeft. Hij merkt (p. 35) wel op dat kiezen moeilijk wordt, maar besteedt geen aandacht aan de existentiële twijfel die zo’n grote diversiteit bij mensen kan oproepen.

Jezus: uniek en toch voor iedereen

Waar Parzany zich van een sterkere kant toont, is in het weerleggen van de gedachte dat de uniciteit van Jezus alleen maar tot intolerantie tussen mensen kan leiden. Hij erkent dat de praktijk vaak genoeg anders uitpakt, schuwt daarbij geen zelfkritiek en laat zich meermaals negatief en verontschuldigend uit over de intolerantie en vervolging die door toedoen van christenen door de eeuwen heen wél is ontstaan. Dat is niet goed te praten, maar valt ook niet te rijmen met de uniciteit van Jezus als van God gezonden messias voor alle mensen – niemand uitgezonderd. Wie de uitspraken van Jezus in de Bijbel goed bestudeert, vindt, zo stelt Parzany, juist een hele diepe vorm van tolerantie ten aanzien van anderen (p. 88-89):

“Jezus neemt op de koop toe dat Hij niet begrepen, bespot, gefolterd en gedood wordt. Hij is in de diepste zin van het woord tolerant. Het Latijnse woord ‘tolerare’ betekent verdragen, verduren. De tolerantie van Jezus komt voort uit zijn liefde voor de mensen. Tolerantie zoals wij die sinds de Verlichting in Europa kennen, heeft een andere basis. […] Omdat de waarheid uiteindelijk niet te kennen is, loont het niet daarover met elkaar te strijden. Tolerantie veronderstelt dan het afzien van de laatste waarheid. Een dergelijke tolerantie is Jezus volkomen vreemd.”

Het geloofsgesprek

Gewapend met een reeks argumenten om de uniciteit van Jezus te verdedigen arriveert Parzany, die een wat merkwaardig gevoel voor structuur heeft, na 127 pagina’s bij hoofdstuk 2. (Het hele boek telt maar vier hoofdstukken, in afnemende lengte.) Daarin gaat hij in op de islam en in het bijzonder op de koranversen die over Jezus gaan. Daarbij blijft hij bij de kern en tegelijk het grootste twistpunt in de geloofsgesprekken tussen christelijk geloof en andere godsdiensten: de persoon van Jezus. Telkens licht hij toe hoe een christen in gesprek met een moslim kan reageren.

Parzany, die in de jaren zestig in de Lutherse kerk in Jeruzalem werkte, neemt daarbij steeds een open houding aan. Hoewel hij de verschillen tussen christelijke en islamitische uitspraken over Jezus de nodige aandacht geeft (zoals de ontkenning dat Jezus aan het kruis stierf, de positionering van Jezus enkel als profeet) wijst hij voortdurend ook op de overeenkomsten. Die zullen eerder openingen bieden voor een gesprek, dan de verschillen. Maar telkens is Parzany ook standvastig: Bijbel en koran laten niet dezelfde Jezus zien.

Parzany laat zien wat op papier vaak makkelijker is dan in de praktijk: de tolerantie van Jezus uitleven in het gesprek met andere geloven. Dus niet vervallen in afwijzing of veroordeling van de ander, maar ook geen water bij de wijn doen en gaan relativeren. Dan mag de liefde de werkelijke grond zijn voor tolerantie.

O ja, de oosterse religies

Parzany besteedt in het laatste deel van het boek nog aandacht aan verschillende hindoeïstische en boeddhistische stromingen. Toch krijg je daarbij het gevoel dat het een soort aanhangsel is – net als deze alinea. Handig als zeer korte introductie, maar weinig verdiepend ten opzichte van de rest van het boek.

Open einde

Verwacht bij Parzany geen uitgebreid notensysteem met literatuurverwijzingen of diepgravende analyses. Het boek is duidelijk bedoeld voor een lezerspubliek met weinig tot geen achtergrondkennis van de islam en oosterse religies. Parzany veronderstelt wel een beetje kennis van het christelijk geloof. Zijn toon is, voor een spreker met een stijl die sterk doet denken aan Amerikaanse televisie-evangelisten, verrassend rustig. En hoewel hij zich niet schaamt om Jezus als Gods Waarheid en unieke Zoon te verdedigen, laat hij wel ruimte voor het mysterie. Niet alle vragen worden door Parzany beantwoord. Op de vraag waarom God handelt zoals hij handelt wil Parzany geen sluitend antwoord geven. Over deze en andere vragen zegt hij (p. 230): “We zullen het antwoord vinden wanneer we Hem na de opstanding in Gods nieuwe wereld zullen kennen zoals Hij is. God is ons in Jezus echter zo nabij gekomen dat we Hem Vader mogen noemen. Hij heeft ons niet alleen een wet geopenbaard, maar zijn hart getoond.” Dat is wat christenen in geloofsgesprekken in de multiculturele samenleving altijd naar voren mogen brengen.

Ulrich Parzany

Ulrich Parzany is Duits theoloog en voorzitter van de Duitse afdeling van de YMCA. Hij volgde een opleiding tot Luthers predikant en werkte enige tijd in Jeruzalem. Hij werd vooral bekend door ProChrist, grote evangelisatie-acties die nog steeds plaatsvinden, en waarbij hij hoofdspreker is.

Ulrich Parzany (2009) Er is één God… Getuigen van Christus in een multireligieuze samenleving. Amsterdam: Ark Media. 236 pagina’s. ISBN 978 90 33818 96 7

Geloof voor slimmerds

Bij Young Beyond gaat het in 2009-2010 over Tim Kellers ‘In alle redelijkheid’. Maar Keller is niet de enige die zich geroepen voelt om verdedigingen te schrijven voor het christelijk geloof. Vorig jaar verscheen in de Verenigde Staten ‘What’s so great about christianity’ van de Dinesh D’Souza, uitgesproken conservative, voormalig adviseur van Ronald Reagan en lid van de Rooms-Katholieke Kerk. Al vrij snel kwam er een Nederlandse vertaling, die nog al wat aandacht kreeg omdat het boek werd uitgegeven door een ‘seculiere’ uitgeverij: Nieuw Amsterdam.

Slimmerds en gelovigen

Voor wie Keller net heeft gelezen komt D’Souza met zijn betoog keihard binnen. Heel anders dan Keller, in wiens verhaal duidelijk de sporen zichtbaar zijn van preken die hij over de betreffende onderwerpen heeft gehouden, is D’Souza een debater die een felle toon niet schuwt en nu en dan frontaal de aanval inzet. Hij uit zich controversieel – op het irritante af, niet anders dan zijn opponenten.

Net als Keller is D’Souza erop uit het christelijk geloof te verdedigen tegen de stelling dat geloven achterlijk is. En net als Keller voelt hij zich daartoe vooral aangespoord door de scherpe kritiek die vooraanstaande atheïsten (zichzelf ‘brights’, zoiets als slimmerds of verstandigen, noemend) zoals Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens de laatste jaren op het geloof hebben geuit. Maar hij legt de accenten anders. Keller spreekt een gehoor aan dat sceptisch, maar welwillend tegenover het christendom staat en dat worstelt met vragen over de inhoud van het christelijk geloof. Bijvoorbeeld, waarom laat een liefdevolle God het lijden toe? D’Souza beweegt zich meer in het spanningsveld tussen wetenschap en geloof. Zijn inzet is om de atheïstische denkbeelden te weerleggen dat wetenschap en geloof radicaal tegenover elkaar staan. Als politiek debater is hij daarbij soms heel uitgesproken in zijn mening, op andere momenten juist mild en kritisch naar zichzelf toe, maar over het algemeen in elk geval heel direct. Zo laat hij in de introductie al weten dat “…mocht u zich afvragen of dit boek een uitnodiging tot bekering is: dat is het inderdaad”.

De benadering van D’Souza

Daar gebruikt hij 26 hoofdstukken voor, waarmee hij zichzelf toch wat overvraagt. Er zijn te veel vragen en kritiekpunten die hij wil behandelen. Zo wil hij hard maken dat, hoewel atheïsten graag anders doen geloven (sic!), het christendom aan de basis heeft gestaan van veel instituties en waarden die tegenwoordig graag als seculiere verworvenheden worden gezien: de scheiding tussen kerk en staat, het idee van menselijke gelijkwaardigheid, de basis van de moderne wetenschap, en zelfs het begrip ‘seculier’ zelf. Gaat dat volgens D’Souza om het atheïstische ontkennen van een positieve invloed van het christelijk geloof op de wording van onze (westerse) samenlevingen, vervolgens pakt hij ook een aantal beschuldigingen over vermeende negatieve invloeden van het geloof aan. Zoals de veelgehoorde stelling dat geloof of religie de grootste bron is van oorlog en gewelddadig conflict. Juist het atheïstisch gedachtegoed heeft volgens de cijfers van D’Souza het grootste aantal slachtoffers gemaakt – zowel in oorlogs- als in vredestijd. In het laatste deel van het boek volgt dan nog een beschouwing van moraliteit. In het allerlaatste stukje pakt D’Souza nog iets mee van de inhoud van het christelijk geloof.

Debat tussen Dinesh D’Souza en Christopher Hitchens and Dinesh D’Souza (Katholieke Univeristeit Boulder).

Al met al: veel, veel, veel. Ondanks de enorme kennis die D’Souza aan de dag legt van klassieke en hedendaagse natuurwetenschappers, filosofen, historici, theologen, sociologen en psychologen, gaat zijn betoog soms zo snel dat je als lezer toch het gevoel krijgt dat er af en toe iets mist. Dat is voer voor de tegenspelers. Veelvuldig schrijft D’Souza in de trant van “nu we bewezen hebben dat…” of “nu we gezien hebben dat…”. Overigens gaat het daarbij bijna nooit – en D’Souza stelt dat herhaaldelijk – om bewijzen dat het christelijk geloof gelijk heeft, maar om argumenten waarom het niet zo gek is om in God te geloven. Dawkins diagnose dat geloof een psychische aandoening is rammelt aan alle kanten, dat probeert D’Souza duidelijk te maken.

De hamvraag

Zijn strategie is hoofdzakelijk om lezers duidelijk te maken dat ook seculier of atheïstisch denken gestoeld is op vooronderstellingen die voor een deel nooit bewezen kunnen worden met de middelen waar de wetenschap zich van kan bedienen. Dat is dezelfde route als die Keller volgt, en die hout snijdt – ook al zullen overtuigde atheïsten daar anders over blijven denken. Regelmatig zoekt D’Souza daarbij de afschuw van geloof op die bij veel van zijn opponenten bestaat. Daarmee raakt hij steeds aan een vraag die iedereen alleen voor zichzelf kan beantwoorden: kan ik überhaupt open staan voor de gedachte dat er een aboslute (persoonlijke) autoriteit over mij zou bestaan. Dat raakt aan de kern, en dat is ook het goede moment om bij Keller verder te lezen, want dan wordt de vraag relevant of het redelijk is te veronderstellen dat zo’n autoriteit te vertrouwen is.

Dinesh D’Souza (2009) Het christendom is zo gek nog niet. Nieuw Amsterdam Uitgevers.

Deze website gebruikt cookies Info »

Europese wetgeving verlangt dat de volgende informatie aan u kenbaar wordt gemaakt:

Deze website maakt standaard gebruik van cookies om zo optimaal mogelijk te functioneren. Door op 'Accepteer' te klikken of deze site verder te bekijken stemt u daarmee in. Stemt u niet in, verander dan de cookie-instellingen van uw browser.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Sluit (close)