« Terug naar Stap 3: Verbinden – zichtbare connecties met anderen
Kerken zijn gewend aan gasten die zich voegen naar de openingstijden op zondag. Zo tegen het begin van de zondagse samenkomst zijn ze binnen, en na afloop van de dienst gaan ze – na een kop koffie te hebben gedronken – weer weg. Zit het mee, dan komen ze op een volgende zondag nog eens terug.
Conversatie op internet
Op internet houdt niemand zich aan openingstijden. Internet is beter te vergelijken met een druk bezocht feestje waarop mensen afwisselend met de een en dan weer met een ander staan te praten. Ben je net in gesprek met iemand, komt er een ander langs die toevallig iets van jouw gesprek opvangt, vervolgens even meepraat, en voor je het weet is het gespreksonderwerp volledig omgegooid.
Dát is conversatie op het web en irritatie daarover is geen excuus om niet mee te doen.
Drie andere kenmerken van conversatie op het web zijn de lange houdbaarheid, het hoge kletsgehalte en de meeluisteraars. Met lange houdbaarheid bedoel ik dat een groot deel van de conversaties op internet bewaard wordt. Reacties bij weblogs, op forums, uitgewisselde tweets op Twitter en krabbels op Hyves blijven – tenzij ze bewust gewist worden – op internet staan. Discussies die al lang leken te zijn afgesloten kunnen zo toch ineens weer nieuw leven ingeblazen krijgen.
Het hoge kletsgehalte wil zeggen dat conversatie op internet lang niet altijd diepgaand is of ‘ergens over gaat’. Net als in het alledaagse ‘offline’ leven is conversatie op internet een sociale bezigheid die niet per se een inhoudelijk doel heeft. Soms willen mensen gewoon even laten merken dat ze er zijn, en hopen ze op een reactie. Dat loopt dwars door gesprekken heen die wel een wat constructiever karakter hebben. Zoek bij status updates op Facebook of op Twitter eens op ‘still in bed’ en op elk moment van de dag zijn er wel zoekresultaten. Of op ‘nothing special’. Er zijn altijd wel mensen online die even willen vertellen dat ze niets te melden hebben.
Omdat een aanzienlijk deel van de conversatie op het web via (semi-)openbare kanalen verloopt, zijn er altijd meeluisteraars. In de inleiding beloofde ik terug te komen op deze vorm van participatie op internet. De meeluisteraars zijn degenen die het gesprek wel volgen, maar zich er niet actief zelf in mengen. Wat die groep ermee doet verschilt niet van de analogie van het feestje: ze doen er niets mee, ze raken erdoor geïnspireerd, ze roddelen elders over je of ze herhalen jouw punten in gesprekken die ze later met anderen voeren. Et cetera.
Net als bij zenden en verbinden geldt: je kunt je ongemakkelijk voelen bij bepaalde aspecten van conversatie op het internet, maar het is de realiteit waar je als kerk mee te maken hebt als je mee wilt doen.
Meepraten als kerk
Waar zenden en verbinden kerken over het algemeen nog redelijk afgaat als ze ermee starten, blijkt meepraten lastiger. Twitter kan nog eens als voorbeeld dienen omdat het uitdaagt tot een vrij vlotte vorm van conversatie, maar de meeste kerken juist dat aspect links laten liggen. Een deel van het succes van Twitter zit in de interactie. Mensen reageren op elkaar met korte berichten, sturen elkaars ‘tweets’ door naar hun eigen volgers. Kortom, bij Twitter gaat het om het volgen van berichten van anderen en het zelf gevolgd worden door (weer) anderen.
Tot zover de theorie. Wat doen de kerken? Een groot deel rust op z’n lauweren, publiceert af en toe een aankondiging voor de zondagse samenkomst, en wacht tot anderen zich als volger aandienen. Zulke kerken missen de essentie van het medium. Zelf anderen volgen (connecties aangaan) en op anderen reageren zijn de stappen die ontbreken. Kans verspeeld.
Ik hoor wel eens dat dat komt doordat de kerk altijd is gewend geweest om een boodschap te zenden. Dat klopt misschien voor de preek, maar verder is de kerkgeschiedenis gekleurd door interactie. Dat weerwoorden niet altijd geduld werden (worden), is een ander verhaal. Het probleem ligt, vermoed ik, ergens anders. We zijn niet gewend om als gemeenschap een stem te laten horen, anders dan via de gebaande paden van de formele organisatiestructuur. En die is in sommige kerken sterk bepalend. Kerken gedragen zich daarin niet anders dan bedrijven, overheden en andere organisaties; communicatie vanuit de organisatie moet worden ‘geautoriseerd’. Dat maakt het lastig om in de meer spontane conversatie op internet mee te doen.
Probleem genoteerd. Toch heeft conversatie op internet voor kerken nut. De meerwaarde van meepraten is dat je erdoor benaderbaar wordt. Anders dan bij zenden, maak je je via conversatie aanspreekbaar, kun je je boodschap naar anderen toe verduidelijken en kun je iets terugkrijgen. Er is dus reden om het probleem te overwinnen hoe de kerk mee kan praten op internet. Drie routes daarvoor geef ik in het laatste deel van deze post mee. Daarbij deel ik ook wat gedachten over hoe conversatietools zoals Twitter wél te gebruiken zijn door kerken.
Oplossing 1: de veilige route
De eerste optie voor kerken is om alleen op een relatief afwachtende manier conversatie aan te gaan. Je wacht dan tot anderen jou aanspreken en antwoord privé of meer in het openbaar. Veel kerken hebben een antwoordformulier op hun website of een algemeen info e-mailadres. Via e-mail is het mogelijk om in interactie te treden zonder dat de hele wereld de uitwisseling van berichten kan volgen, en zonder dat een snel antwoord vereist is. (Te lang wachten is uiteraard ook weer niet de bedoeling.)
Een andere optie is het openen van een reactiemogelijkheid bij berichten op de eigen website. Kerken maken tot nu toe zelden gebruik van die mogelijkheid. Een reageerfunctie levert een meer zichtbare vorm van conversatie op. Het is aan de auteur van het oorspronkelijke stuk om te bepalen of hij of zij antwoordt op de reacties van anderen. Meest gebruikelijk is dat reageerders met elkaar in discussie raken, zonder dat de auteur daarin nog een actieve rol speelt.
Voordeel van de veilige route is dat je vrij sterk grip kunt houden op de interactie. Overigens is het omgaan met reacties niet vrij van gedragsregels. Het zonder verdere toelichting verwijderen van reacties van anderen wordt bijvoorbeeld niet op prijs gesteld door internetgebruikers. ‘Huisregels’ kunnen behulpzaam zijn.
De veilige route heeft een paar nadelen. Op de eerste plaats blijft de interactie beperkt tot de eigen website of groepspagina van de kerk. Daarnaast wordt het initiatief bij de ander gelegd. Die moet eerst het formulier invullen, een e-mail sturen of een reactie plaatsen voor er conversatie ontstaat. Daarmee worden kansen gemist om als kerk je stem en boodschap te laten horen in conversaties die elders op het web worden gevoerd.
Oplossing 2: de individuele route
Die nadelen spelen minder een rol in wat de individuele route genoemd kan worden. Bij die oplossingsrichting is het meepraten ‘uitbesteed’ aan de individuele leden van de gemeenschap. Er zijn bijvoorbeeld predikanten, pastors, oudsten en gemeenteleden die een eigen weblog bijhouden, twitteren of chatten. Zij zijn meestal niet de officiële spreekbuis van de kerk en doen op persoonlijke titel mee op het web. Soms zijn zij echter wel de enigen uit de kerkelijke gemeenschap die online aanspreekbaar zijn voor anderen.[1]
Veel kerken moeten het, voor meer actieve participatie in de het online publieke debat, van deze enthousiaste eenlingen hebben. Als die mensen een soort informele ambassadeurs voor de kerk willen zijn is dat in principe iets waar de hele gemeenschap van kan profiteren. Het ambassadeurschap hoeft zeker niet voorbehouden te zijn aan de kerkprofessionals. Bijkomend voordeel is dat contact van mens tot mens als veel persoonlijker wordt ervaren dan contact met een organisatie.
Oplossing 3: de open route
De derde route is om uit naam van de plaatselijke kerk actief mee te doen in conversatie op het web. Doe het samen, is hier het devies. Bij het stuk over zenden schreef ik al over de optie om mensen uit de gemeente een inlogaccount te geven waarmee zij zelf artikelen op de website kunnen publiceren. Waarom zou je hen niet meteen toegang geven tot de Facebook- of Twitteraccount? Dan kunnen zij, als leden van de gemeente, onder naam van de kerk over hun bijdrage meepraten. Laat bijvoorbeeld de kinderkerkleiding voor de kerk twitteren over dingen die geloofsopvoeding aangaan, en over de manier waarop de kerk daarmee bezig is. Natuurlijk kun je samen een kader opstellen voor wat je wel en niet wilt publiceren. Bijvoorbeeld dat privéberichten zonder connectie met de kerk niet via de kerkaccount worden verstuurd.
Bij de open route zijn er meerdere opties om samen aan de conversatie deel te nemen:
- Bij de Twitteraccount van de Evangelisch-Lutherse gemeente Haarlem-Beverwijk (@ELGHaarlem) kan iedereen meetwitteren (toegegeven, participatie is nog niet zo hoog) zonder dat direct duidelijk is wie er aan het woord is. Soms leidt dat tot wat verwarring bij de ontvangende partij, die niet weet dat er meerdere personen van de account gebruikmaken.
- Een prima tweede optie is te vinden bij Groot Nieuws Radio (@1008am). Bij GNR beginnen de berichtjes soms met de naam van degene die schrijft.
- Een derde optie, tot slot, is om relevante tweets van gemeenteleden met een privéaccount te retweeten. Retweeten betekent niets anders dan het bericht van een ander doorsturen naar je eigen netwerk. Het omgekeerde – de berichten van de kerk worden door anderen doorgestuurd – komt regelmatig voor. Er zijn echter maar weinig kerken die met hun account de berichten van hun gemeenteleden doorsturen (zie @jacobikerk voor een uitzondering). De belangrijkste reden is wellicht dat er geen gemeenteleden zijn met een eigen account.
Van de drie oplossingen vraagt de open route van een gemeente het grootste vertrouwen in elkaar. Het voordeel is dat de kerk als gemeenschap actiever mee kan doen en duidelijker zichtbaar wordt in online conversatie. Dat kan offline tot verrassende versterking leiden van relaties binnen de gemeenschap en tot nieuwe gedeelde contacten.[2]
Een weg te gaan
De gedachten die ik in de afgelopen posts heb gedeeld mogen verder uitkristalliseren. Het zijn voor een deel ideeën die nog geen best practices hebben in de praktijk. Maar het is belangrijk dat kerken zich blijven verdiepen in de ontwikkelingen op het web. Het liefst vanuit een breder perspectief op wie de kerk is, waartoe zij geroepen is, en voor welke uitdagingen zij in de 21ste eeuw staat. Aan de schat van de kerk – het Evangelie – zal het niet liggen. Die is krachtig als altijd.
Door naar Tips en links voor webmasters »
« Terug naar Stap 3: Verbinden – zichtbare connecties met anderen
[1] Speciale vormen van interactie via het web, zoals pastoraat of een online cursus zoals Waarom Jezus? laat ik hier buiten beschouwing. Dat zijn sterk doelgerichte activiteiten met een heel eigen dynamiek .
[2] Boele Ytsma heeft terecht opgemerkt dat participatie op internet niet alleen om online verbindingen gaat, maar evenzeer om connecties tussen online en offline. Zie zijn lezing voor Kerk en Wereld, 2009: www.kerkenwereld.nl/documents/doc/religieuze_communities_op_internet.pdf
