« Terug naar Stap 2| Zenden – jezelf presenteren op het web
Een basiskenmerk van het internet is de netwerkstructuur. Het internet is een ondoorzichtige en extreem complexe kluwen van knooppunten (‘nodes’) en verbindingen (‘links’, ‘connections’). Terwijl dat netwerkkarakter van het internet in het begin nog vooral tot uiting kwam in de technologische infrastructuur – met elkaar verbonden computers – ligt de nadruk tegenwoordig juist op sociale netwerken – met elkaar verbonden mensen. De opkomst van sociale netwerken (zoals Hyves, Facebook, Ning, Spruz, Netlog, Flickr) heeft aan de digitale wereld een nieuwe dimensie toegevoegd en het begrip ‘vriend’ een bredere invulling gegeven.
Netwerken op internet
Connecties op internet geven uiting aan individugestuurd netwerkdenken.[1] Dat wil zeggen dat de individuele internetgebruiker een (online) netwerk bouwt waarin hij of zij zelf centraal staat. Dat sluit aan bij een streven naar individualisme en onafhankelijkheid van organisaties, instituten en hiërarchische structuren. Op internet bepaalt de gebruiker zelf waar hij of zij wel of niet bij wil horen en met wie hij of zij wel of geen connecties wil aangaan.
Die connecties kunnen een heel vluchtig karakter hebben, intensief worden onderhouden, of juist als een dode verbinding jaren blijven voortbestaan. Er zijn zat internetgebruikers die in hun online sociale netwerk connecties hebben met mensen waarmee ze in geen tijden meer contact hebben gehad.
Uit kerkelijke hoek komt soms dan ook de opmerking dat de online relaties tussen mensen het niet halen bij de ‘offline’ contacten tussen mensen. Of anders gezegd, de verbondenheid, de koinonia (zie Stap 1: wie – en niet wat – is de kerk op internet?) die de kerk zoekt, kan het online netwerken niet bieden. Maar de aanname achter die bewering klopt niet helemaal. Het sociaal netwerken op het web is geen vervanging van ‘offline’ contacten, maar eerder een aanvulling die, toegegeven, ook zijn effect heeft op de contacten in de fysieke wereld. Het is voor kerken goed om te beseffen dat internetgebruikers van hun online sociale netwerkconnecties niet verwachten dat dat allemaal van hart tot hart relaties zijn.
Narcistische trekjes
In dat verband nog één essentiële opmerking over connecties op internet. Voor internetgebruikers gaat kwantiteit vaak duidelijk boven welke kwaliteit dan ook. Op Twitter scoor je lekker als je veel volgers (‘followers’) hebt en op een zakelijk netwerk zoals LinkedIn oog je met een groot netwerk belangrijker dan met weinig connecties. Maar het omgekeerde komt net zo goed voor. Sommige netwerkers beperken hun connecties met opzet tot een minimum. Die exclusiviteit is een vorm van ‘playing hard to get’. Hoe dan ook, veel connecties of juist weinig, anderen krijgen altijd iets te zien van de omvang en inhoud van het netwerk.
Daarom is het onvoldoende om te zeggen dat het op internet om connecties gaat. Het gaat om zichtbare connecties. In sociale netwerken geef je aan anderen altijd iets weg van je connectiviteit: hoeveel vrienden je hebt, hoeveel volgers, of wie dat precies zijn. Kerken die zich afvragen wat hun rol in online sociale netwerken kan zijn, moeten in het achterhoofd houden dat – of ze het er nu mee eens zijn of niet – zichtbaarheid het criterium is waarvan de netwerken leven.
De netwerkende kerk op internet
In de manier waarop een kerk op internet netwerkt is het beeld dat de kerk over haar eigen identiteit heeft van groot belang. Een kerk die zichzelf als organisatie ziet, netwerkt op een andere manier dan een kerk die zichzelf in de eerste plaats als gemeenschap van levende stenen ziet. Ik zal, aan de hand van twee manieren waarop kerken via internet kunnen netwerken, proberen uit te leggen waar het verschil zit en wanneer dat relevant wordt.
Passief: de kerk als label
Er zit groei in het aantal kerken dat een eigen groepspagina heeft op sociale netwerksites als Hyves en Facebook. Zo’n pagina stelt mensen in staat om ‘vriend te worden’ van de kerk, om te laten zien dat ze zich op de een of andere manier verbonden voelen.
Voor kerken is dat een relatief eenvoudige en doorzichtige manier om netwerkend op internet actief te zijn. Je laat mensen zich gewoon met de kerk associëren. In veel (maar zeker niet alle!) gevallen zijn de ‘vrienden’ van de kerk leden van de gemeenschap of mensen die zich nauw aan de gemeenschap verbonden voelen. In dat opzicht is de kerk dan bezig om online zichtbaar te maken dat zij als gemeenschap zelf een netwerk is, en al was lang voordat Hyves, Facebook en MySpace bestonden.
Dat is sommige vernieuwers binnen de kerk ook al opgevallen, en die deinzen er niet voor terug om de gehele dagelijkse praktijk van de kerk in internetjargon uit te drukken. Dwight Friesen, hogeschooldocent praktische theologie in de VS, publiceerde bijvoorbeeld in 2009 ‘Thy Kingdom connected’ waarin hij termen als links, social networks, connections, communities, nodes en commons – die op internet uitdrukking geven aan netwerkstructuren – bijna één op één toepast op de kenmerken van de kerk.[2]
Inderdaad, dat gaat wel wat ver. De basisgedachte is echter wel interessant. Kerken kunnen op internet zichtbaar maken dat zij een gemeenschap zijn (en daarmee komen we weer in de buurt van stap 1, waar het over jezelf presenteren ging), en zich als gemeenschap versterken doordat de leden van de gemeenschap elkaar online kunnen benaderen. Nogmaals, die verbindingen zijn aanvullend en niet vervangend voor de offline contacten. Maar ook mensen die een hele zwakke binding (‘weak tie’) met de gemeenschap hebben, kunnen op deze manier toch iets van verbondenheid met de kerk krijgen en onderhouden.
De essentie van deze vorm van netwerken is dat de kerk het label is waarmee mensen zich associëren. De kerk als zodanig legt in deze vorm niet zelf actief verbindingen. Bij deze passieve vorm van netwerken maakt het voor de buitenwereld niet veel uit vanuit welk beeld over zichzelf (formele organisatie, gemeenschap) de kerk handelt.
Actief: de kerk als verbinder
Dat is bij de tweede vorm van netwerken anders. Daarin treedt de kerk op als netwerkpartner – als deelnemer die zelf actief connecties met anderen aangaat.
De hamvraag daarbij is: wie is die ander?
Kerken waar de formele, institutionele structuur voorop staat zullen geneigd zijn om vooral verbindingen te leggen met andere formele organisaties. De praktijk op internet sluit daar niet bij aan. Daar lopen sterke en zwakke verbindingen tussen individuen en organisaties namelijk kriskras door elkaar heen. Dat is te illustreren met Twitter. Op Twitter kunnen deelnemers berichtjes van maximaal 140 tekens publiceren, berichten van anderen volgen, en zelf door anderen gevolgd worden. Het gemiddelde netwerk van Twitteraars bestaat zowel uit individuen (bijvoorbeeld collega’s) als organisaties (bijvoorbeeld de sportclub of de pers).
Dit nieuwe type netwerk vraagt een omslag in het denken. Een omslag van formele verbindingen op bestuurs- of instituutsniveau naar het verbinden van gemeenschappen of netwerken. Om die abstracte zin heel concreet te maken (en misschien helpt een plaatje daarbij nog wat meer): een lokale kerk die op internet een verbinding zichtbaar maakt met een andere lokale kerk creëert een bruggetje tussen de individuen die zich aan een van beide netwerken verbonden voelen. De connectie is niet, zoals in formele structuren, voorbehouden aan de voorganger of het kerkbestuur, maar in principe open voor iedereen. En dat werkt. Mensen uit verschillende kerken of plaatsen komen zo gemakkelijker en sneller met elkaar in contact. Zulke connecties van de kerk met andere ‘netwerken’ hoeven uiteraard niet beperkt te zijn tot geloofsgemeenschappen, maar bieden juist kansen om anderen met het Evangelie te bereiken.

Een sterker besef van de kerk als gemeenschap van mensen helpt om de kerk meer als een verbinder te zien, dan als organisatie die alleen maar wat te zenden heeft op internet. Drie tips voor een aanpak:
- Denk aan ruggespraak. Ga niet, zogezegd namens de gemeente allerlei connecties aan. Het is echt niet nodig dat iedere mogelijke nieuwe connectie eerst door een meerderheid van de gemeente moet worden goedgekeurd (tenminste, dat hoop ik zo…). Maar het is wel belangrijk dat er breed draagvlak is om als kerk online connecties aan te gaan en niet alleen als afzonderlijke individuen.
- Wees open. Op internet kun je de gekste connecties oplopen – binnen en buiten de christelijke wereld. Dat is niets om van te schrikken. Zie het als kans om mensen te bereiken die anders waarschijnlijk nooit op je pad zouden komen. Natuurlijk zijn er grenzen; spamconnecties (meestal seksueel getint) kun je beter verbreken. In gesprek gaan heeft toch geen zin met deze veelal geautomatiseerde verbindingen.
- Accepteer dat formele en informele connecties door elkaar lopen. Door zowel met individuen als met organisaties en andere netwerken te netwerken geef je meer het beeld van een gemeenschap van mensen die connecties heeft met de buitenwereld. Het maakt van het netwerk van de kerk bovendien waarschijnlijk iets meer dan een optelsom van de netwerken van individuele leden.
Rest de vraag hoe je als kerk, die op zo’n manier verbindingen zoekt tussen communities, kunt reageren als je door een andere internetgebruiker wordt aangesproken. Want dat gebeurt op internet, en daarmee betreden we het terrein van Stap 4: converseren – moeilijk woord voor meekletsen.
« Terug naar Stap 2| Zenden – jezelf presenteren op het web
[1] Om een passende term te lenen van prof. Kees de Ruiter. (Nederlands Dagblad, 17 april 2010, ‘Spanningsveld tussen eredienst en cultuur’)
[2] Dwight Friesen (2009) Thy Kingdom connected. What the church can learn from Facebook, the internet and other networks. Baker Books, Grand Rapids (MI).

Goede serie, Martijn!
Kleine noot bij dit stuk. Friesen noemt in zijn boek de ‘weak ties’ juist als hele belangrijke ‘ties’. Juist als verbinder zijn de sterke bindingen niet zo interessant, die houden zichzelf wel in stand. De kunst is om mensen met elkaar in verbinding te brengen die amper een binding met elkaar hebben. Een beetje als het bruggetje, zoals jij het noemt in het stuk, maar dan uitdagender en bewuster mi.
Friesen ziet dan ook vooral kansen op het missionaire vlak voor de rol van verbinder.
Heb je helemaal gelijk in (nog even een link naar deel 1 van jouw recensie: http://blog.ontheway.nl/2010/03/thy-kingdom-connected-recensie-deel-i/ ). Friesen schrijft die rol van verbinder zelfs aan God toe: “God’s mission, if you choose to live into it, is to boldly link where no one has linked before, this is the Christ-conjunction” (p.135) Ik was na het boek overigens wel zo overvoerd met connections, links en nodes, dat Friesen voor mijn gevoel een beetje doorschiet in zijn netwerkdenken.