Bij Young Beyond gaat het in 2009-2010 over Tim Kellers ‘In alle redelijkheid’. Maar Keller is niet de enige die zich geroepen voelt om verdedigingen te schrijven voor het christelijk geloof. Vorig jaar verscheen in de Verenigde Staten ‘What’s so great about christianity’ van de Dinesh D’Souza, uitgesproken conservative, voormalig adviseur van Ronald Reagan en lid van de Rooms-Katholieke Kerk. Al vrij snel kwam er een Nederlandse vertaling, die nog al wat aandacht kreeg omdat het boek werd uitgegeven door een ‘seculiere’ uitgeverij: Nieuw Amsterdam.
Slimmerds en gelovigen
Voor wie Keller net heeft gelezen komt D’Souza met zijn betoog keihard binnen. Heel anders dan Keller, in wiens verhaal duidelijk de sporen zichtbaar zijn van preken die hij over de betreffende onderwerpen heeft gehouden, is D’Souza een debater die een felle toon niet schuwt en nu en dan frontaal de aanval inzet. Hij uit zich controversieel – op het irritante af, niet anders dan zijn opponenten.
Net als Keller is D’Souza erop uit het christelijk geloof te verdedigen tegen de stelling dat geloven achterlijk is. En net als Keller voelt hij zich daartoe vooral aangespoord door de scherpe kritiek die vooraanstaande atheïsten (zichzelf ‘brights’, zoiets als slimmerds of verstandigen, noemend) zoals Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens de laatste jaren op het geloof hebben geuit. Maar hij legt de accenten anders. Keller spreekt een gehoor aan dat sceptisch, maar welwillend tegenover het christendom staat en dat worstelt met vragen over de inhoud van het christelijk geloof. Bijvoorbeeld, waarom laat een liefdevolle God het lijden toe? D’Souza beweegt zich meer in het spanningsveld tussen wetenschap en geloof. Zijn inzet is om de atheïstische denkbeelden te weerleggen dat wetenschap en geloof radicaal tegenover elkaar staan. Als politiek debater is hij daarbij soms heel uitgesproken in zijn mening, op andere momenten juist mild en kritisch naar zichzelf toe, maar over het algemeen in elk geval heel direct. Zo laat hij in de introductie al weten dat “…mocht u zich afvragen of dit boek een uitnodiging tot bekering is: dat is het inderdaad”.
De benadering van D’Souza
Daar gebruikt hij 26 hoofdstukken voor, waarmee hij zichzelf toch wat overvraagt. Er zijn te veel vragen en kritiekpunten die hij wil behandelen. Zo wil hij hard maken dat, hoewel atheïsten graag anders doen geloven (sic!), het christendom aan de basis heeft gestaan van veel instituties en waarden die tegenwoordig graag als seculiere verworvenheden worden gezien: de scheiding tussen kerk en staat, het idee van menselijke gelijkwaardigheid, de basis van de moderne wetenschap, en zelfs het begrip ‘seculier’ zelf. Gaat dat volgens D’Souza om het atheïstische ontkennen van een positieve invloed van het christelijk geloof op de wording van onze (westerse) samenlevingen, vervolgens pakt hij ook een aantal beschuldigingen over vermeende negatieve invloeden van het geloof aan. Zoals de veelgehoorde stelling dat geloof of religie de grootste bron is van oorlog en gewelddadig conflict. Juist het atheïstisch gedachtegoed heeft volgens de cijfers van D’Souza het grootste aantal slachtoffers gemaakt – zowel in oorlogs- als in vredestijd. In het laatste deel van het boek volgt dan nog een beschouwing van moraliteit. In het allerlaatste stukje pakt D’Souza nog iets mee van de inhoud van het christelijk geloof.
Al met al: veel, veel, veel. Ondanks de enorme kennis die D’Souza aan de dag legt van klassieke en hedendaagse natuurwetenschappers, filosofen, historici, theologen, sociologen en psychologen, gaat zijn betoog soms zo snel dat je als lezer toch het gevoel krijgt dat er af en toe iets mist. Dat is voer voor de tegenspelers. Veelvuldig schrijft D’Souza in de trant van “nu we bewezen hebben dat…” of “nu we gezien hebben dat…”. Overigens gaat het daarbij bijna nooit – en D’Souza stelt dat herhaaldelijk – om bewijzen dat het christelijk geloof gelijk heeft, maar om argumenten waarom het niet zo gek is om in God te geloven. Dawkins diagnose dat geloof een psychische aandoening is rammelt aan alle kanten, dat probeert D’Souza duidelijk te maken.
De hamvraag
Zijn strategie is hoofdzakelijk om lezers duidelijk te maken dat ook seculier of atheïstisch denken gestoeld is op vooronderstellingen die voor een deel nooit bewezen kunnen worden met de middelen waar de wetenschap zich van kan bedienen. Dat is dezelfde route als die Keller volgt, en die hout snijdt – ook al zullen overtuigde atheïsten daar anders over blijven denken. Regelmatig zoekt D’Souza daarbij de afschuw van geloof op die bij veel van zijn opponenten bestaat. Daarmee raakt hij steeds aan een vraag die iedereen alleen voor zichzelf kan beantwoorden: kan ik überhaupt open staan voor de gedachte dat er een aboslute (persoonlijke) autoriteit over mij zou bestaan. Dat raakt aan de kern, en dat is ook het goede moment om bij Keller verder te lezen, want dan wordt de vraag relevant of het redelijk is te veronderstellen dat zo’n autoriteit te vertrouwen is.
Dinesh D’Souza (2009) Het christendom is zo gek nog niet. Nieuw Amsterdam Uitgevers.