“De Lutherse kerk is vast niet oud”, zegt de toerist die door de Witte Herenstraat wandelt. De argeloze voorbijganger wordt echter op het verkeerde been gezet door de uit 1896 daterende voorgevel. Het gebouw er achter is veel ouder en één van de oudste schuilkerken in ons land. Wanneer in 1605 de Eerste Lutherse Synode te Amsterdam wordt gehouden, gaat de Haarlemse gemeente ook naar een eigen kerkgebouw verlangen. De gemeente bestond toen al veel langer.

Met zekerheid weten we dat tijdens het beleg van Haarlem in 1573 Lutherse Godsdienst oefeningen werden gehouden door de predikant Willem Lupech voor de soldaten van Hopman Steinbach. De jonge gemeente vond onderdak in de Kapel van het Sint Jacobs Gasthuis. De eerste steen voor een eigen kerkgebouw wordt op 11 februari 1614 gelegd op de oude fundamenten van de kapel van het klooster der Witte Heeren. De kerk werd op 9 februari 1615 voltooid en in gebruik genomen.

De grond was geschonken door de weduwe Pompe, die zoals zo mooi in de transportakte staat vermeld “ten behoeve van de gemeente van de confessie van Augsburch, die men Luterse noempt, ende by denselven tot eenen beede oft diensthuyse geappropieert” Naar de voorschriften van die tijd werd de kerk van deze “dissenters” als schuilkerk gebouwd, onopvallend, niet aan de openbare weg gelegen en niet uitstekend boven de omringende bebouwing. Rondom deze lieflijke plek, in de boomgaard van het voormalige klooster, werden in de loop van de tijd steeds meer bezittingen aangekocht. Aan de zuidkant van de kerk ontstond het hofje van Frans Loenen, aan de noordkant het Luthers hofje. Nu is vanuit de beide hofjes goed te zien hoe de oorspronkelijke bouw van de kerk is geweest. In 1648 werd de kerk drastisch verbouwd. Het maken van twee gewelven boven de twee bestaande zolders is de grootste verandering. Daaruit valt nu op te maken dat de kerk uit twee beuken bestond. De vorm van deze kerk doet denken aan een middeleeuwse hallenkerk. In de loop van de eeuwen is er heel wat verbouwd aan het gebedshuis.

Op 16 juni 1895 besloot de kerkenraad tot het verbouwen van de voorgevel, daartoe in staat gesteld door een aanzienlijk legaat. Er werd toen een neogotische gevel voor het gebouw geplaatst en een toren. In 1948 en 1970 vonden er verbouwingen plaats. In 1987 vond er nog een ingrijpende operatie plaats. De twee voorste houten kolommen in de kerk waren er slecht aan toe. Door verstikking van het materiaal waren ze verpulverd en moesten ze gedeeltelijk vervangen worden. De achter het gebouw gelegen consistorie (letterlijk: Grote Kerkenraad) verving in 1909 de nevenruimten. Architect J. London creëerde deze schitterende vergaderruimte. De wanden zijn bedekt met de gecalligrafeerde namen van predikanten, ouderlingen, diakenen en kerkrentmeesters, die gedurende alle bestaansjaren van de Evangelisch-Lutherse Gemeente dienst hebben gedaan.

Het kleine orgel dat in de beginjaren in de kerk werd gebruikt, werd tegelijkertijd met de grote verbouwing in 1779 vervangen door een Batzorgel. Honderd jaar later bouwde de Duitse orgelbouwer Julius Strobel er zijn orgel. De stijl van het fraaie Batzfront werd gehandhaafd. Het Strobelorgel zweeg begin zeventiger jaren. Na een lange stilteperiode is het orgel in oude luister hersteld en op 1 april 2001 liet het zijn jubelende klank weer horen!