Doorgegeven (2): Zegen en vloek

Geplaatst op 22-10-2009 door Sietse Van Kammen

Kierkegaard voor liefhebbers

Om iets te kunnen doorgeven en weergeven van Kierkegaards’ bedoelingen leek het ons van belang om aan het begin van de kennismaking met zijn werk, iets van zijn “Sitz im Leben”, iets van zijn plek in het leven ter sprake te brengen.

Wat Kierkegaard, op zijn beurt, heeft willen doorgeven houdt namelijk sterk verband met zijn jeugd en de man die hij daar uit werd. Kierkegaard ervoer het als zijn persoonlijke opdracht om het individu, de mens in zijn meest complete uniciteit te begrijpen en begrepen te krijgen. Daarvoor had hij de God van de Bijbel en het Christelijk geloof nodig, maar had hij ook baat bij een ongewone jeugd.

Nou ja…”baat”.

Het is maar wat je baat noemt.

Hoewel meerdere mensen uit de kring van familie en vrienden zich later de jonge Sören herinnerden als bijzonder verwend, zei hij zelf, dertig jaar later, terug te kijken op een vooral ongelukkige jeugd. De vermogende familie waaruit Kierkegaard kwam en waarin Sören de nakomer was in het gezin van zeven kinderen, werd getroffen door een onwezenlijke serie van verliezen.

Toen Sören zes was overleed zijn elf jaar oud broer Michaël na een botsing op het schoolplein, drie jaar later overleed zijn oudste zus, onverwacht, na een kort ziekbed. Wat alles in tijden van rouw en verwerking nog moeilijker maakte was dat Sören’s vader, Michaël sr., een even vermogende als begaafde heer, die zich met behoud van fortuin uit zaken had teruggetrokken om zich geheel aan de opvoeding van zijn zonen te wijden, het verdriet onderging als een persoonlijke straf voor een misstap die hij in zijn eigen jeugd in Jutland had begaan.

Ons komt dit alles, als eigentijdse en weinig belaste bijbellezers en kerkbezoekers, vreemd voor. “Is het dan onmogelijk om ergens de draad weer op te pakken?”

Wat we daarbij uit het oog verliezen is dat het Lutherse piëtisme waarin Michaël sr., op het platteland van Denemarken opgroeide, sterk puriteinse trekjes kende. Na grove fouten is in deze zienswijze verzoening mogelijk, maar dan wel pas na zware boetedoening.

Aanvankelijk veronderstelde Sörens vader dat Gods toorn hem zou treffen in zijn vermogen. Maar nadat de crisis van 1813 ( ook toen al!) het economisch verkeer in Europa had lamgelegd, bleek de vraag naar wol enorm te blijven. Juist in deze branche had vader Kierkegaard fortuin gemaakt. Niet de aantasting van zijn financiële onafhankelijkheid, maar die van de gezondheid van zijn kinderen werd de rampspoed die hij vreesde. “Erger had het niet gekund” tekende Kierkegaard op jeugdige leeftijd al op.

Senior leefde onder het zwaard van de gedachte dat hij al zijn kinderen zou overleven. Uiteindelijk zouden bij vaders dood, in 1838, slechts Sören en zijn oudste broer Peter nog in leven zijn. Sören is door zijn vader gekneed en opgebouwd, maar ook verwoest, stelt hij in zijn eerste boek, dat in datzelfde jaar 1838 de veelbetekenende naam “Uit de papieren van iemand die nog leeft” meekrijgt. Zijn veeleisende vader heeft zich in de zeer begaafde jongen vastgebeten en ondanks zijn permanente zwaarmoedigheid een enorme belezenheid, veelzijdigheid en intense interesse in mensen en hun beweegredenen bijgebracht. Maar hij heeft hem ook belast, misschien zelfs wel “geofferd” door hem als minderjarige van zijn kwellingen op de hoogte te brengen en hem van een onontkoombare opdracht te voorzien ( namelijk zijn leven te wijden aan het schrijven van een groot godsdienstig werk als teken van verzoening.)

Zegen en vloek lopen op de een of andere manier op een moeilijk te ontwarren manier door elkaar.

De fascinatie voor het verschijnsel van de roeping die ons enerzijds aan een opdracht bindt en anderzijds nodig is verstaan te worden omdat zij de opdracht draagt, ons te laten zien en horen wat vrijheid is, vindt bij Kierkegaard in de gecompliceerde verhouding tot zijn vader zijn oorsprong. Het heeft ertoe bijgedragen dat kort na de afronding van zijn dissertatie over “Het begrip ironie, in voortdurende betrekking op Socrates” in 1841, er een grote lawine aan publicaties van zijn hand op gang komt, met het boek “Vrees en beven” (1843) als hoogtepunt.

Deze studie van Genesis 22, waarin Abraham de onbegrijpelijke opdracht krijgt, zijn eigen toekomst een halt toe te roepen en zijn zoon Isaäk te offeren heeft voor Kierkegaard de lading van herkenning. “Hoe is het mogelijk dat Abraham niet ophoudt zich gezegend te voelen?” Wij gaan dit boek en de bijbeltekst waar zij op gebaseerd is in de komende maanden stukje voor beetje verkennen.

Laat een reactie achter