Doorgegeven (3): Lofrede

Geplaatst op 19-02-2010 door Sietse Van Kammen

In december stond bij de kring ‘Doorgegeven’ het hoofdstuk ‘Lofrede op Abraham’ van Kierkegaards ‘Vrees en beven’ op het programma. Dit hoofdstuk start Kierkegaard met een wat abstracte en filosofische verhandeling over ‘de held’ en ‘de dichter’. Zij vallen voor Kierkegaard niet samen, maar hebben elkaar wel nodig. Zonder de dichter raakt de held in de vergetelheid. De dichter is de ‘genius van de herinnering’, degene die de ode aan de held schrijft, die zorgt dat ‘de held’ bij mensen in herinnering blijft. Wanneer de dichter zich, door de tijd, de held niet laat ontfutselen dan heeft hij zijn taak vervuld en wordt hij met de held verenigd. (Denk aan ‘de held’ Oddyseus en ‘de dichter’ Homerus.)

De held

‘De held onderscheidt zich, verdient het om niet vergeten te worden. Groot werd de held door zijn surplus, groot werd de held door zijn overgave.’ Maar, stelt Kierkegaard, ‘wie God liefhad werd groter dan allen’. De held onderscheidt zich in het waarmaken van de verwachting waaruit hij leeft. ‘Groot werd de een door de verwachting van het mogelijke, een ander door de verwachting van het eeuwige. Maar,’ brengt Kierkegaard in, ‘wie het onmogelijke verwachtte werd groter dan allen.’ En: ‘Groot werd hij die met de wereld streed en die overwon, groot werd hij die met zichzelf streed en zichzelf overwon. Maar wie met God strijd is groter dan allen.’ Dat is de wat cryptische conclusie van Kierkegaard, als inleiding om duidelijk te kunnen maken hoe hoog hij de bijbelse Abraham schat.

‘Er was er een’, vervolgt hij, ‘die op zichzelf steunde en overwon; er was iemand die vertrouwend op eigen sterkte alles opofferde, maar wie God vertrouwde was groter dan allen.’ Kierkegaard besluit dit fragment met: ‘Abraham was groter dan allen: groot door de kracht waarvan de sterkte onmacht is, groot door de wijsheid waarvan het geheim dwaasheid is, groot door de hoop waarvan de vorm waanzin is, groot door de liefde, die haat is tegen zichzelf.’

Over ‘zelfhaat’ ontwikkelde zich een flinke discussie in onze kring. Kan God ‘zelfhaat’ verlangen? Tussentijdse conclusie: alleen als het getuigt van de liefde die ‘groot’ maakt, kan het iets betekenen dat niet slecht is.

De uitverkorene

Kierkegaard vervolgt met een soort resumé: ‘Door het geloof trok Abraham weg uit het land van zijn vaderen en werd een vreemdeling in het land van de belofte. Een ding liet hij achter, een ding nam hij mee: zijn aardse verstand liet hij achter en het geloof nam hij mee. Anders zou hij ook niet zijn weggetrokken, maar zou hij gedacht hebben: dit is onzinnig.’

Ondanks alles is Abraham niet een verworpene, maar de uitverkorene. Uitverkoren, gekozen, om het leven te dragen. Abraham kan dit, ver weg van alles wat vertrouwd en eigen is, door te geloven en vast te houden aan de belofte. ‘Hij die altijd het beste hoopt, wordt oud door het leven bedrogen. En hij die altijd op het slechtste is voorbereid, wordt vroeg oud. Maar hij die gelooft bewaart een eeuwige jeugd. Geprezen zij daarom dit verhaal!’

Het is niet zozeer een wonder dat hun verwachting werd vervuld, maar een wonder van geloof, dat Abraham en Sara beide (in geest) jong genoeg waren om het ouderschap nog te wensen en dat het geloof hun wens had bewaard. Het geloof dat hem, Abraham, gebracht heeft waar hij is (in een vreemd land, maar gezegend onder Gods hemel) wordt bekrachtigd in een zoon: Izaäk. Hij is niet alleen de zoon waar zij op wachtten, het is ook de zoon van de belofte van God. Zeg maar: de zoon waaruit al het leven voort zal komen. Hij is hun toekomst.

De beproeving

De beproeving die volgt, de opdracht die Abraham ontvangt om Izaäk te offeren, beschrijft Kierkegaard als het drama dat God van ons (mensen met een ‘gezond verstand’) van God vervreemdt. Maar Abraham geloofde en blijft erop vertrouwen dat God het is die hem beproeft. Niet met het zicht op een onverwachte wending die alles alsnog ten goede zal keren, maar omdat dit de God is die hem geroepen heeft.

Kierkegaard schetst dat Abraham naar onze perceptie, heel goed en begrijpelijk, anders had kunnen handelen. Hij had het zwaard in zijn eigen borst kunnen boren. Hij had op de berg Moria, door twijfel bevangen, God kunnen uitdagen met zijn gebeden. Hij had zijn knecht Eliëzer opdracht kunnen geven om met hen rechtsomkeer te maken. ‘Maar hij vervolgde de weg, besteeg de berg, wette het mes en hief zijn arm…’

Het geloof

Het hoofdstuk eindigt met de lofrede die Abraham niet nodig heeft om getroost te worden voor zijn verlies. ‘Jij hebt immers alles gewonnen en Izaäk behouden.’ Kierkegaard meent dat Abraham geen late vereerder – zeg maar, geen late ‘dichter’ zoals Kierkegaard – nodig heeft om aan de vergetelheid onttrokken te blijven. Abraham is dus meer dan een klassieke held die altijd een dichter nodig heeft. (Kierkegaard blijft dus een dichter zonder held.) ‘Want iedere taal gedenkt jou – en toch beloon je ieder die je liefheeft heerlijker dan wie ook. Jij maakt hem daarboven [de mens die jou bij leven liefhad] gelukkig in je schoot, hier boei je [de mens die je bij leven lief heeft] zijn oog en zijn hart met het wonderbaarlijke van wat je deed.’

Kierkegaard roemt Abraham om de hartstocht, ‘die de strijd met het razen van de elementen versmaadt [en daardoor geen held wordt] om met God in strijd te gaan [en daarmee wordt tot een gelovige].’ Kierkegaard eindigt met ‘nooit zal door hem [Kierkegaard zelf, als dichter zonder held, maar met een gelovige op het netvlies] vergeten worden dat jij [Abraham] honderd jaar nodig hebt gehad om tegen de verwachting in een zoon van je ouderdom te verkrijgen, dat jij eerst het mes moest trekken voordat je Izaäk mocht behouden. Hij zal nooit vergeten dat jij in honderddertig jaar niet verder kwam dan bij het geloof.’ Het laatste woord van dit inleidende hoofdstuk is datgene waar alles in het boek om draait; het enige thema.

Laat een reactie achter