In de huiskringen werd in 2007/2008 gesproken over manieren van ‘kerk zijn’. Aan de hand van het boek ‘En de wind steekt op!’ van professor Henk de Roest werd iedere bijeenkomst gewijd aan de vraag wat de rol van de kerk is in de ‘postmoderne’ samenleving, en hoe de kerk aan haar rol invulling kan geven. De Roest is hoogleraar praktische theologie aan het Theologisch Wetenschappelijk Instituut van de Protestantse Kerk in Nederland. Het is niet vreemd dat juist uit die hoek een dergelijk boek komt. De PKN heeft te maken met een rap teruglopend aantal leden, vergrijzende kerken, en een afname van het aantal aan de kerk gelieerde organisaties (zoals verzorgingshuizen, verenigingen en scholen). Maar wat misschien nog wel veel meer tot denken aanzet is het gevoel dat binnen veel PKN-gemeenten opkomt van een gemis aan ‘bezieling’. Het bestaan van de kerk is voor veel kerkgangers niet meer vanzelfsprekend, en steeds meer ontstaat het gevoel dat christenen een minderheid beginnen te worden in een land dat eens als vanzelfsprekend christelijk was. Is er reden tot zorg? En zo ja, wat moet er dan gebeuren? Wat kunnen we doen?
Nieuw elan
Die vragen kwamen en komen in onze eigen gemeente regelmatig aan de orde. Het boek van De Roest geeft daarbij een richting aan. De Roest neemt namelijk een heel andere ontwikkeling waar in veel christelijke gemeenten. Ondanks de voortgaande ontkerkelijking zijn veel gemeenten juist springlevend. Wat heet. In veel kerken steekt een nieuw elan de kop op. Mensen durven weer uit te komen voor hun geloof, willen getuigen van de Here Jezus en hebben een aanwakkerend missionair enthousiasme. De kerk komt weer naar buiten, laat zich weer meer zien. De Roest is allesbehalve negatief over de toekomst van de kerk. Maar hij is ook getroffen door verwondering. Hij vraagt zich af welke vorm de geloofsgemeenschap van de toekomst zal aannemen? En wat er nodig is om met bezieling kerk te zijn? Is een crisisbesef nodig om tot vernieuwing te komen? Het zijn een paar vragen die De Roest in zijn boek verkend.
De eerste drie modellen…
Ook voor onze gemeente zijn die vragen de moeite waard om te stellen, en het boek is dan ook een mooi handvat voor de kringgesprekken. Want wat voor soort gemeente zijn we nu eigenlijk? En zijn we ons wel altijd bewust van hoe we als kerk in de maatschappij staan? De Roest onderscheidt globaal drie modellen van ‘kerk zijn’. Het eerste model duidt hij aan als de Ark. De kerk als ark is een kerk die zich als vangnet opwerpt. Nieuwkomers worden met open armen onthaald, krijgen volop ondersteuning en groeien geleidelijk aan steeds meer in het gemeenteleven. In kerken met het arkmodel gaat het om totale betrokkenheid. De Roest haalt een voorbeeld aan van megakerken in de Verenigde Staten, en plaatst terloops zijn vraagtekens bij het arkmodel. Daarmee komt de ark toch ook over als een letterlijk vangnet – een net om te vangen – en niet als een net om op te vangen.
Het tweede model dat De Roest schetst geeft hij de naam Herberg mee. Openheid en pluriformiteit zijn hier de centrale begrippen. Kerken van het herbergmodel staan open voor buitenstaanders. Leden en geïnteresseerden krijgen de mogelijkheid om naar eigen inzicht actief of minder actief te zijn in het gemeenteleven. Wanneer gekozen moet worden, past onze gemeente het beste bij dit model. Maar ook de herberg is niet zonder minpunten. Want, waar in de ark volledige toewijding wordt gevraagd, kan het gemeente-zijn in de herberg al te gemakkelijk een kwestie van spelers en toeschouwers worden. Het synoniem herberg leent zich voor een wat ongemakkelijke beeldspraak: sommigen bedienen de toog; anderen zitten aan de bar.
In het derde model is die tegenstelling nog een stukje sterker. De Roest spreekt van het tempelmodel. De kerk is daarin verworden tot een dienstverlenende instantie die op afroep beschikbaar is. Even trouwen. Rent-a-priest. Even dopen, want opa en oma vinden dat zo fijn. De kerk in het tempelmodel doet aan als een bedrijf waar een handvol vaste krachten al dan niet tegen betaling de molen draaiende houden. Het behoeft geen toelichting dat dit model uitnodigt tot een hoop kritiek. Maar tegelijkertijd is het ook de angst van veel gemeenten om uiteindelijk bij het tempelmodel terecht te komen.
…en het vierde
Ook voor De Roest is het derde model niet het gewenste ideaal. Maar dat geldt evenmin voor de eerste twee modellen. De Roest komt daarom aan het einde van zijn boek met een vierde model, dat – en dat komt niet als verrassing – het beste van de Ark, Herberg en Tempel wil combineren. Waar het De Roest om gaat is dat toch ruimte moet bestaan voor een zekere mate van pluriformiteit. Zowel mensen die volledige toewijding nastreven als passanten die incidenteel bij de kerk komen, moeten een plek aantreffen waar ze terecht kunnen.
Dat is zeker een christelijke gedachte, maar net als in het evangelie is er hier sprake van een zekere spanning. Het evangelie nodigt uit (hoewel het door mensen toch te vaak is opgedrongen), geeft mensen de gelegenheid om nieuwsgierig te worden, en om de Here Jezus te leren kennen. Tegelijkertijd dringt het evangelie aan op kiezen. Dat is de enige weg vooruit, en de enige manier om verder te groeien in het evangelie. Voor beide karaktertrekken van het evangelie hoort de kerk open te staan. De kerk mag geen gesloten burcht zijn, maar heeft juist een taak tot uitnodigen. Maar tegelijkertijd hoort het de kerk ernst te zijn met de urgentie die uit het evangelie spreekt. Dat wil niet zeggen dat de kerk zijn bezoekers moet opjagen om lid te worden, of allerlei geloofsgroei moet opdringen. Het betekent echter wel dat de kerk zich moet afvragen of het stichten van een soort ‘tweede ring’ tot haar opdracht behoort. Wie de ideeën van De Roest over het vierde model leest, zal het gevoel bekruipen dat die tweede ring een serieuze optie zou moeten zijn. Mensen die wat op afstand willen blijven, moeten die mogelijkheid in de kerk hebben. In het beeld dat De Roest schetst dreigt zo’n tweede ring eerder een aparte ruimte te zijn dan een voorportaal. Dan dreigt, om het anders te zeggen, al snel een soort keuzemenu met verschillende lidmaatschappen – voor elk wat wils.
Altijd op weg
De kerk is nooit een eindstation. Mensen die de kerk bezoeken zijn per definitie voorbijgangers. Ze zijn op weg naar een veel mooiere bestemming, en de kerk is de plek waar ze op hun weg geholpen horen te worden. Waar anderen met je oplopen. En door zo op weg te zijn, word je als vanzelf ook zelf kerk. De kerk is, zo leert de apostel Paulus ons, uiteindelijk nog altijd het lichaam van Christus. Een levende gemeenschap en geen gebouw, instituut of bedrijf. Dat betekent dat de kerk er op gericht moet zijn om mensen verder te helpen op weg. Niet onder dwang. Wie niet wil, hoeft niet, en zo hoort er in de kerk inderdaad altijd ruimte te zijn voor hen die op afstand betrokken willen zijn, en die geen actieve inzet als ambtsdrager of vrijwilliger nastreven. Maar daarmee is niet gezegd dat er een ruimte moet worden geschapen die een soort permanente kring van ‘minder-actieven’ toestaat. De kerk hoort te blijven prikkelen en aansporen om op weg te blijven.